maandag 16 februari 2009

BOEKEN(11)




HET EVANGELIE VAN VINCENT VAN GOGH

(verschijnt medio april 2009)

Vincent van Gogh is enkele jaren predikant en evangelist geweest. Maar ook nadat hij zijn roeping als schilder gevolgd had, is hij evangelist gebleven. Anton Wessels geeft hiervoor een samenhangend en overtuigend bewijs. Daarvoor plaatst hij het werk van de schilder tegen de achtergrond van zijn hele leven en al zijn werken – dus ook van de laatste tien jaar van zijn arbeid als schilder. Het rijk geïllustreerde boek vertelt de boodschap van Vincent van Gogh in woord én beeld, onderverdeeld in drie grote thema's: ‘Droef en toch blijde’, ‘Door duisternis tot licht’ en ‘De kunst van het leven’. Afbeeldingen, tekeningen en schilderijen zijn steeds voorzien van uitleg. Soms brengt Wessels ze in verband met teksten uit de Bijbel,maar vooral citeert hij Van Goghs eigen tekst en uitleg. Het evangelie volgens Vincent van Gogh toont aan hoezeer Van Gogh in gesprek is geweest met en geïnspireerd werd door zijn ‘medepelgrims op weg’. Anton Wessels schreef eerder Een soort Bijbel. Vincent van Gogh als evangelist. Hij is emeritus hoogleraar godsdienstwetenschap en hield zich in die functie vooral bezig met de islam.

Te verwachten verschijningsdatum: april 2009


ISBN: 9789025959692 | Aantal pagina's: 256 | Uitvoering: Hardcover | Verschijningsjaar: 2009 | taal: Nederlands






GELUKKIG IN DE AKBARSTRAAT

Anton Wessels

Na 11 september 2001 zijn moslims in Nederland vaak op negatieve wijze in het nieuws, maar hoe zit het nu werkelijk met de islam? Het voorbeeld van de profeet Mohammed is gedurende eeuwen op vele manieren verstaan, nagevolgd en uitgelegd. Wat zegt de islam over de verhouding van godsdienst en staat? Bestaat er onder moslims de mogelijkheid en de behoefte om hun godsdienst 'bij de tijd te brengen'? Anton Wessels gaat op al deze vragen in. Hij laat zien hoe de woede van de islamitische wereld kan worden verklaard en wat dat feitelijk met de islam te maken heeft. Hoe allochtone schrijvers in Nederland tegen onze samenleving aankijken en in hoeverre zij zich hier thuis voelen. Hoe het leven van alledag is in een Amsterdamse wijk die momenteel vooral door moslims wordt bewoond.
Geldt voor hen ook wat J.C. Bloem ooit, om de hoek, over de Dapperstraat dichtte en kunnen zij 'domweg gelukkig' zijn in de Akbarstraat?







In het Engels te vinden op : www/google.books.com
Wessels, A., Muslims and the West - Can they be integrated?
Peeters, Leuven, 2006, ISBN 9042916842; VIII-195 blz., prijs € 35,=.


De vraag ‘Zullen Oost en West elkaar ooit ontmoeten’? (Rudyard Kipling) is geen retorische vraag meer. Oost en West hebben elkaar ontmoet en proberen samen te wonen in onze steden, maar dat gaat met veel spanningen en conflicten gepaard. Hebben deze conflicten een religieuze basis en staat het christendom van het Westen tegenover de islam van het Oosten ? Zal de derde wereldoorlog uitgevochten worden tussen gelovigen en ongelovigen.
Dit boek probeert vat te krijgen op dit probleem door erop te wijzen dat een stad als Amsterdam vanaf haar ontstaan werd en nog altijd wordt gekenmerkt door de interactie van verschillende culturen.
In het huidige verband is het van belang te beseffen dat er verschillende vormen van de islam zijn. Het hangt ervan af of je luistert naar fundamentalisten of naar de hoofdstroom islam. 
De auteur wijst er in dit boek op de er geen sprake is van een wereldwijde clash tussen beschavingen en culturen, maar dat de wederzijdse vijandschap allereerst is gebaseerd op economische en politieke belangen. Als Oost en West elkaar willen ontmoeten zullen ze zich beide moeten toeleggen op begrip, respect en eerlijke onderlinge verhoudingen.








Mozes in Bijbel, Tora en Koran
De eerste vijf bijbelboeken toegelicht
door Louis Goosen, Marcus van Loopik , Anton Wessels.
Deze uitgave wil een nieuwe richting van commentaren bij de Bijbel aanreiken. Naast de NBG tekst wordt per bijbelhoofdstuk in enkele woorden aangegeven wat de verwantschap van het fragment is met respectievelijk de Joodse traditie, de Islamitische traditie en de doorwerking in de West-Europese cultuur. Het is voor het eerst dat drie religieuze tradities op deze wijze in beeld worden gebracht. De uitgave heeft niet de ambitie om een traditie normatief te stellen boven andere; wel sluit de keus van de bijbeltekst aan bij wat in christelijke kring vertrouwd is. De benadering past binnen een multiculturele samenleving; met het toevoegen van islamitische commentaren is recht gedaan aan de actualiteit van de vele moslims in Nederland en wordt niet voorbijgegaan aan het feit dat de culturen wereldwijd steeds vaker ogenschijnlijk botsen.
Bij de Joodse inbreng is de grondleggende betekenis van de Joodse traditie voor het christendom en islam relevant en krijgt de historische betekenis van het Joodse volk en de Joodse traditie een plaats. Van christelijke zijde is niet gekozen voor een dogmatische-theologische benadering. De inslag is een meer cultureel-historische benadering. Deze, voor vele lezers wellicht verrassende, inbreng biedt mogelijk nieuwe invalshoeken.
Het boek leent zich voor incidenteel gebruik. het kan ook gezien worden als een naslagwerk voor mensen die zich verder willen verdiepen in een concreet bijbelhoofdstuk. gekozen is voor een uitgave van de eerste vijf boeken van de bijbel. Zij vormen als Pentateuch een eenheid.

uitgave Jongbloed-Hereveen. 2006 ISBN (10)90-6539-278-5
gebruikte bijbelvertaling: NBG 2004




ISLAM VERHALENDERWIJS



Velen noemen islam en terorisme in een adem. Terroristen plegen hun aanslagen in naam van de heilige oorlog en commentatoren verbinden fundamentalisme, fanatisme, geweld en geloof vaak veel te gemakkelijk. De overgrote meerderheid van de moslims voelt zich met de denkbeelden van deze extremistische geloofsaanhangers niet verwant. Islam en salam (= shalom) wil zeggen: vrede. Deze tijd vraagt meer dan ooit om wederzijds begrip, ISLAM VERHALENDERWIJS wil daartoe bijdragen. Anton Wessels verbindt de verhalen uit de joodse, de christelijke en de islamitische traditie. Hij laat zien dat koran en bijbel, naast verschillen, veel gemeenschappelijks bevatten. Aan de hand van literaire fragmenten uit heden en verleden bespreekt hij onze westerse ideeën over de islam.

ISBN: 9789057120152 Aantal pagina's: 0 Uitvoering: Paperback Verschijningsjaar: 2001 taal: Nederlands


Review 1.
Na de aanslag op het World Trade Center van 11 september 2001 noemen velen Islam en terrorisme in één adem. Terroristen spreken krijgshaftig van een heilige oorlog. In het Westen worden hun fanatisme en geweld al snel verbonden met fundamentalisme en geloof. Wie de islamitische wereld kent, weet dat de meerderheid van de moslims zich met dat extremisme niet verwant voelt. Anton Wessels, islamoloog en hoogleraar godsdienswetenschap aan de VU te Amsterdam, onderkent dat en pleit in dit boek voor beter wederzijds begrip. Ter inleiding verkent de auteur de achtergronden van de mythe van 'het groene gevaar' die de eeuwen door in de Westerse cultuur leeft. Het hoofddeel van het boek omvat een bespreking van thema's en tradities die jodendom, christendom en islam verbinden. Daarbij komen naast de heilige geschriften ook fragmenten uit de wereldliteratuur aan bod. De verhalen van (jongere) allochtone schrijvers en schrijfsters geven een indruk van de belevingswereld van moslims in het Westen.
Dit goed leesbare boek bouwt met genuanceerde informatie een brug tussen de verschillende culturen. Dankzij goede begeleidende informatie bij de bespreking van de bronnen en hun contexten geschikt voor een breed publiek van geïnteresseerden
Recensent: Drs. P.F. Goedendorp, Biblion

Review 2.
RELIGIE. Ontmoeting met de groene man
De islam is de grootste godsdienst ter wereld. Drie auteurs benaderen deze religie elk vanuit een andere invalshoek: de ene plaatst de islam tegen een achtergrond van verhalen, een levert verhelderende basisinformatie en een andere belicht de islam in de politiek.
ISLAM VERHALENDERWIJS is een origineel boek over de islam waarin de Nederlandse hoogleraar godsdienstwetenschappen Anton Wessels aan de hand van verhalen een steentje bijdraagt tot een beter begrip van de inmiddels grootste godsdienst ter wereld. Het jodendom, het christendom en de islam zijn volgens de auteur drie vertelgemeenschappen, en het zou goed zijn als de leden van die gemeenschappen elkaar hun verhalen zouden vertellen, omdat dat kan bijdragen tot wederzijds begrip.

Het boek begint met het vijandige, karikaturale beeld dat wij van Mohammed en de islam via onze literatuur gekregen hebben. Wessels beoordeelt kritisch schrijvers als Joost van den Vondel, Louis Couperus en Nobelprijswinnaar V.S. Naipaul. Westerlingen, maar ook ,,afvallige moslims'' zoals Salman Rushdie, lieten zich door Mohammeds levensverhaal inspireren. Anton Wessels toetst passages uit De Duivelsverzen waarin de roeping van Mohammed ironisch ter sprake komt, aan de klassieke bronnen. Zo beschrijft Rushdie in het hoofdstuk ,,Mahound'' het incident waaraan het boek zijn titel ontleent. Onder druk van zijn tegenstanders kwam de profeet in de verleiding om drie oud-Arabische godinnen -- al-Lat, Uzza en Manat -- naast Allah te erkennen, en reciteerde hij verzen die deze godinnen een rol toekenden. Een tijdje later werd aan Mohammed geopenbaard dat het niet God, maar de Satan was die hem deze verzen had ingefluisterd. De geschiedenis van die duivelsverzen zorgde in Mohammeds eigen tijd voor opschudding en ligt ook vandaag nog bij veel moslims gevoelig.

Welke rol speelt de koran in het dagelijkse leven van de moslims? Tussen 610 en 632 werd de tekst in Mekka en later in Medina aan Mohammed geopenbaard. De koran heeft duidelijk banden met oudere monotheïstische godsdiensten als het christen- en het jodendom.

Wessels belicht figuren als Jozef en Jezus in de koran en gaat uitgebreid in op de geschiedenis van de zonen van Abraham, Izaäk en Ismaël. Het is een broederband die de relaties tussen joden, christenen en moslims nog steeds beïnvloedt, en die de vraag aan de orde stelt wie nu eigenlijk het uitverkoren volk is.

De islam betekent veel meer dan het naleven van de ,,vijf zuilen'': de geloofsbelijdenis, vijf keer per dag bidden, aalmoezen geven, vasten tijdens de ramadan en één keer in je leven op bedevaart naar Mekka gaan. Anton Wessels leidt je binnen in de denkwereld en de literatuur van grote mystieke dichters als al-Halladj, Farid ad-Din Attar, Djalal ad-Din Rumi en Shams ud-Din Muhammad Hafiz. Het laatste hoofdstuk gaat over de islam in de diaspora en bevat enkele kanttekeningen bij de rol van verhalen in een multiculturele samenleving. De auteur gaat bij allochtone schrijvers op zoek naar een antwoord op de vraag of godsdienst een rol moet spelen in de maatschappij of dat er zich, integendeel, veeleer een secularisatie zal voltrekken bij de migrantenbevolking. Dit zijn belangrijke vragen op een moment dat van de Europese islam wordt verwacht dat hij een aantal debatten kruidt in de landen van herkomst.

WAT het boek vooral interessant maakt, is dat de auteur harmonieus samenleven tussen verschillende godsdiensten niet onmogelijk acht. Hij illustreert deze stelling met het verhaal ,,De man uit Jemen en zijn zes slavinnen'' uit Duizend-en-één-nacht.

Integratie is een dynamisch proces, dat hij naar analogie met de Raad van Europese minderheden ,,intercreatief'' noemt. Hij besluit zijn boek met het koranverhaal ,,De Groene Man'' -- de meester van de weg van de wijsheid -- over Mozes die met een geheimzinnige dienaar van God in aanraking komt. Wessels toont aan dat in dit verhaal verschillende religieuze tradities samenkomen.
Review:Hadewich Hernalsteen- De Standaard 2002

Ook in het engels verschenen:



ISBN gegevens volgen nog

























Moslim in Mokum.
Tranen van Hagar.
Dies Natalis Rede uitgesproken ter gelegenheid van de herdenking van de Stichtingsdag van de Vrije Universiteit Amsterdam op 18 oktober 2002. Tijdens deze bijeenkomst werd aan Huub Oosterhuis het eredoctoraat Theologie verleend.Promotor: Prof Dr N.A. Schuman.
"Die te Amsterdam ooit zei: Jeruzalem"
en naar Jeruzalem gedreven kwam,
Hij zegt met een mijmerende stem:
Amsterdam, Amsterdam"
Ja
cob Israel de Haan ( 1688 - 1924)
Over een visioen van een nieuw Amsterdam een echt Mokum, een plaats waar werkelijk geleefd en geliefd kan worden , een vrijplaats, die niet vol is voor, maar vol is van asielzoekers, waar ' het gerucht der engelen' weer gehoord wordt.
ISBN 9053838368 Uitgave Vrije Universiteit Amsterdam







De koran verstaan
De koran is meer een boek dat gehoord dan dat gelezen wil worden. Bij allerlei gelegenheden wordt er door en voor moslims uit geciteerd. Elke jonge moslim kent bepaalde hoofdstukken uit zijn hoofd.
Het is geen gemakkelijk boek. De koran verstaan is een leidraad bij het lezen en leren van het boek van de islam. De opdrachten na ieder hoofdstuk zijn vooral bedoeld als oefening om de weg in de koran te leren kennen.

Pagina's 196 blz.
Verschenen januari 1996
ISBN 9789024241156
Prijs € 21,90





Kerstening en ontkerstening van Europa
Wisselwerking tussen evangelie en cultuur
Het gaat erom op welke wijze het evangelie inging op de Grieks-Romeinse, Keltische en Germaanse cultuur. Talrijke aspecten uit de voor-christelijke Europese cultuur komen ter sprake: de mysteriegodsdiensten, de Arthurlegenden,de Germaanse feesten en in het slothoofdstuk het evangelie en de moderne Europese cultuur.
Ten Have Baarn 1994 ISBN 90 259 4492 2





engelse uitgave:EUROPE: Was it Ever really Christian?
1994 0334 025699SCM Press LTD, Great Brittain translation : John Bowden



























Een soort BIjbel
Vincent van Gogh als evangelist.
Hoe Vincent van Gogh ook als kunstenaar ( in de tweede periode van zijn leven) evangelist bleef op geheel eigen wijze.
Ten Have Baarn 1990 ISBN 90 259 4437




In het engels verschenen ( en o.a. in de winkel van het van Gogh Museum van Amsterdam nog te verkrijgen)






A kind of Bible
uitgave SCM Press Great Brittain, 0334 02805 1
translation: John Bowden 2000













En allen die geloven zijn Abrahams geslacht.

Meditaties voor NCRV radio . Een Bijbelse getuigenis in een multiculturele context.
Behandeld de vraag op welke wijze de bijbelse boodschap zich verhoudt tot de omringende cultuur en godsdienst.
1989 Ten Have Baarn. ISBN 90 259 4392 6











Twee watermeloen in een hand
de acteurs in het Libanese drama.
1986 Dabar/Luyten Amstelveen ISBN 90 6416 122 4








Jezus Zien
Hoe Jezus is overgeleverd in andere culturen.
Het beeld van Jezus als Jood, door de ogen van Moslims,Latijns Amerikanen, Afrikanen en Verre Oosten.
1986 ten Have Baarn 1986 ISBN 90 259 4292







IMAGES OF JESUS
BOOK PREVIEW
Jesus has long been known throughout the world; yet he has been perceived and portrayed in a wide variety of ways in different times and places. How do we account for such a broad range of perception and depiction? In this provocative study Anton Wessels explores the manner in which Jesus has been introduced to and received by various non-European cultures.

Images of Jesus: How Jesus has been perceived
and portrayed in non-European cultures
Author: Anton Wessels
Publisher: Eerdmans, 1990
ISBN: 0-8028-0287-7 Price: $12.95

BACK COVER:
The earliest representations of Jesus showed him as a youthful shepherd. But when Constantine instituted Christianity as the state religion, the gentle Christ became the conquering imperial Christ. By contrast, the Middle Ages, under the influence of Bernard of Clairvaux and St. Francis, pictured Jesus primarily as the suffering and dying Christ. In the Baroque period Christ was portrayed as emotional and visionary, but in the twentieth century Jesus is again the Man of Sorrows.

Exploring some specific cultural-historical images of Jesus, Wessels first emphasizes that Jesus was a Jew, and he looks at various Jewish perspectives on Jesus. Next he develops the unique Muslim image of Jesus a perspective that over time has been maintained quite apart from any Christian influence.

"The Spanish Christ," introduced to the Indians of the New World by Christopher ("the Christ-bearer") Columbus and Francisco Pizarro, emphasized Jesus' suffering and death at the expense of his life and resurrection; in partial reaction to this image arose the liberating Christ as developed by liberation theologians. Wessels also explores black African images and Asiatic perceptions of Christ the latter including discussion of how Jesus is related to Hinduism, Buddhism, and Taoism.

Against the background of this review of representative past and present images of Jesus, Wessels addresses a number of urgent questions: What is the relation of Jesus Christ to the various cultures of the world? How do the various cultural images examined relate to the New Testament? Is Jesus only the redeemer of humankind or its liberator as well? What is the relation between knowing Jesus Christ and following his way?

Images of Jesus offers compelling reading for both academic and general readers. Suitable for background information on church history and missions, the book will also provide many provocative insights for adult discussion groups.

ANTON WESSELS is professor of missions and evangelism at the Free University in Amsterdam, the Netherlands. He is the author of The New Arabian, The Renaissance of Islam, and Arabians and Christians: The Christian Church-in the Middle East.


De Moslim naaste

Op weg naar een theologie van de Islam.
1978 Kok Kampen ISBN 90 242 0861 0

AGENDA

zondagmorgen 5 juli 2009 om 11 uur
Dominicuskerk Amsterdam dienst met thema: Vincent van Gogh


16 september 2009 Enkhuizen


18 september 2009
Bijbels Museum Amsterdam (besloten bijeenkomst) "Vincent van Gogh en de kunst van het leven" Over de invloed van de Vrijzinnigen en dichterdominee's van de 19e eeuw op Vincent van Gogh.

6 oktober 2009 Augustijns centrum de Boskapel te Nijmegen. Aanvang 20 uur
"De bijbel en de koran , een verhaal van twee steden."

9 oktober 2009 16.00 - 17.30 uur Theologencafe ,Van Eegenstraat 80 te Amsterdam.Vrije toegang.
"Het evangelie volgens Vincent van Gogh"

15 oktober 2009 20.00 uur te Hoorn. Kerkelijk Centrum 'het Octaaf'. J.D.Pollstraat 1.
"Het evangelie volgens Vincent van Gogh"

24 oktober 2009 Internationale school voor wijsbegeerte ISVW
Plaats: Dodenweg 8 3832 RD Leusden 14.00 - 16.30 uur cursus
"Bijbel en Koran, een verhaal van 2 steden"

26 oktober 2009 Hoevelaken "de Eshof" PKN toerusting en vormings commissie
"Het evangelie volgens Vincent van Gogh"


03 november 2009 Hoogwoud/Obdam ,St Victor Parochie 20 uur
Islam en de relatie tot het Christendom

10 november 2009 Heiloo 20 00 uur
"Het evangelie volgens Vincent van Gogh"

17 november 2009 Amsterdam Dominicuskerk (besloten)
"Het evangelie volgens Vincent van Gogh"

14 december 2009  09 - 11.30 uur  te Zwaag CDA vrouwen
Zwaag


17 december 2009 20.00 uur te Hoorn. Kerkelijk Centrum 'het Octaaf'. J.D.Pollstraat 1.
"De Koran is geweldig."


2010


13 januari 2010 Leerhuis Utrecht (deel 1) "Het evangelie volgens Vincent van Gogh"
27 januari 2010 Leerhuis Utrecht (deel 2) "Het evangelie volgens Vincent van Gogh"
Leerhuis Johannescentrum Utrecht Overvecht
Moezeldreef 400 ca. 5 minuten van NS station Overvecht

30 januari 2010 Almere 14.00 - 16.30 uur
"God gewelddadig en/of liefdevol in Bijbel en Koran".


14 maart 2010 Alkmaar 13.00 uur

25 maart 2010 Alkmaar Levensbeschouwelijk Platform 20.00 uur
Geweld in de Bijbel en de Koran


10 april 2010 Filosofie Oost West te Utrecht 10 - 16 uur "Islam, de weg en de wegen." (van te voren opgeven vereist)

zondag 15 februari 2009

DISSERTATIE : "A Modern Arabic Biography of Muhammad" + review

A Modern Arabic Biography of Muhammad: A Critical Study of Muhammad Husayn Haykal's Hayat Muhammad

Het boek is in zijn geheel te vinden op /This book is available on: http//books.google.com

by Antonie Wessels
Review Author: Robert B. Campbell S.J.
Journal of the American Oriental Society, Vol. 95, No. 2. (Apr. - Jun., 1975), pp. 303-305.
To write a history of the life of Muhammad poses problems for the modern Muslim, as a history of Jesus does for Christians. It is not easy to remain faithful both to objective history and the demands of faith. Moreover, for the Muslim today there exists an additional tension. His growing respect for western science and objectivity is accompanied by his rejection of western cultural imperialism (al-isli'mar ai-ikaqti.fi) and an effort to identify even more closely than ever before with the cultural tradition and heritage of the Islamic East. The first serious effort by a modern Arab Muslim to achieve an acceptable balance between these two compelling attractions was Haykal's Hayat Muhammad.
For a Muslim audience at least, that effort seems to have met with considerable success, if one can judge by the book's popularity. The ten editions to date total nearly 100,000 copies and represent a record for publications of this kind in the Arab world. Moreover, Haykal's book is still used as a text in Egyptian public schools, and the Muslim Hollywood producer, Mustafa al-'Aqqad, has used it as the historical outline of his three-hour multi-million dollar epic film on the life and teaching of Muhammad.
For the western reader, however, more interest lies in knowing the degree of success Haykal achieved in applying what he calls the "new scientific method" to the study of Muhammad's life. We are, then, indebted to Antonie Wessels for giving us a detailed analysis of Haykal's work and a careful critique of Haykal's applica­tion of the new scientific method.
In Hayat Muhammad, Haykal had the double aim of refuting western attacks on the Prophet and of providing the modern Muslim with an account that would both satisfy his intellect and strengthen his Islamic faith. In an article written three years before the book, he had stated;
Whoever studies honestly and without prejudice the history of Muhammad and his preaching and the cul­ture which is built on this foundation will finally come to the conclusion that Muhammad was the great­est man that history has known. The new scientific method must be used to parry missionary attacks (as quoted by Wessels, p. 47).
Wessels sets out to demonstrate how well Haykal has researched his subject "honestly and -without prejudice," according to the "new scientific method." The three principle chapters focus on Haykal's response to western attacks against the prophet of Islam in regard to his integrity, his marriages, and his use of violence. One gets the flavor of Haykal's style as well as the substance of his arguments since the first part of each of these three chapters consists almost entirely of lengthy excerpts from Haykal in Wessels' translation. Each of these chapters concludes with Wessels' discussion of the arguments Haykal presents.
The final chapter summarizes the material, presents the final critique of Haykal's method and use of sources, and gives the evaluation of the work as a whole. Wessels offers four principal criticisms: 1) Haykal has manipulated his source material, both the classical Arab sources and the work of western orientalists, often omitting texts "that might be derogatory of Muhammad or in conflict with the image which Haykal wishes to present" (p. 200); 2) Haykal claimed to have consulted a variety of sources, whereas an analysis of his presentation makes it clear that he has relied on very few; 3) Haykal has confronted the negative aspects of Christian history with the positive aspects of Islamic ideals; 4) Haykal applied the historical-critical method in a limited number of cases only. This criticism, however is softened by Wessels' keeping before the reader's attention the fact that Haykal's self-appointed task "to maintain himself on two fronts, over against the orientalists on the one hand and the all too rigid ap­proach of the Muslims on the other" (pp. 238-39) was a difficult task indeed, and that Haykal himself saw his work as only a beginning in the new scientific approach to Muslim history.
The brief but useful survey in the introduction of other modern Arab efforts to present to Muslims the life of Muhammad also enables the reader to evaluate more clearly Haykal's contribution. Wessels presents summaries of the biographies of Taha Piusayn Tawfiq al-Haklm, 'Abbas Mahmud al-'Aqqad, 'Abd al-Rahman al-Shar-qawl, and Najib Mahfuz and points out their individual approach to the subject. The first chapter is devoted to a brief biography of Haykal, the background of his writing the Hayat, and the climate in which it came to be. One would have liked to see added to this a more detailed analysis of Haykal's concept of science and the scientific method and how he conceived its role, other than the all too brief comments on pp. 92 and 217. Haykal's preface to the second edition is informative in this regard.
There remains but to signalize what may be the most important contribution of a work like Wessels' in focusing the attention of western readers on the values the modern Muslim finds in his tradition and which he proposes as essential for the peace and progress of the modern world. The fact that Haykal, with many other modern Muslims, find reflected in Islam and the life of their prophet certain values that also rank high in the universal and current conscience of man is more, significant for our understanding of contemporary  Islam than whether or not these values were actually present as such in the primitive tradition. Still another factor heightens how important it is for the West to be aware of Muslim values as expressed by Haykal and others. In the current world energy crisis and partially as a result of the latest round in the struggle with Israel, the Arabs have become aware of themselves as a world power. However fragile or chimerical their position may turn out to be in the realm of fact, there has already taken place a significant psycho­logical change. The Arab media now speak constantly of the; "new Arab man." Myths about themselves: their powerlessness before western imperialism, their incapacity to enter the technological age, their lack of will and constancy, the failure to achieve Arab unity-these myths have all been destroyed. Unquestionably, many Arabs will put upon this new phase a religious interpreta­tion, and what some writers in the 50's confidently pre­dicted as the return of the cyclical movement of history into the hands of the Muslim East will seem to many Arabs to have been confirmed by recent events.
But the question remains whether this "new Arab man" will act responsibly toward the world, or will he proceed to exploit it for his own selfish ends? It is essential for the West to understand that there are many Muslims moved by the higher values which they find in Islam and exemplified in its prophet: a preference for peace, for universal brotherhood, a mandate to develop world resources for the benefit of all men, an emphasis on the humane without neglecting technology and ef­ficiency. A work like Wessels' should encourage us to be open to his "new Arab world" and not to recoil from it in suspicion and mistrust. At this point in history, the fate of mankind seems to hinge on whether all men, both East and West, can make those values, which are sincerely expressed by Haykal and others, prevail.

ARTIKELEN (4) Schepping in Koran; de Witte Kruisiging ( Chagall); Confrontatie of dialoog; Joden, Christenen en Moslims zijn verbonden.

zomer 2008 "Eredienstvaardig"

SCHEPPINGSVERHAAL IN DE KORAN

De koran wordt wel beschouwd als een grote hymne ter ere van de goddelijke schepping. God is de Schepper van de hele wereld: van engelen, 43:19 (18); de hemelen (vaak in het meervoud genoemd) en de aarde, 14:19 (22), de zon en de maan, de dag en de nacht, 41:37; de bergen en de rivieren, 13:3, de bomen, de vruchten, het graan en de kruiden, 55: 11,12 (10,11), alle soorten dieren, die op hun buik gaan, tweevoetig,en viervoetig, 24:45 (44). Hij is kortom de schepper van alles, 6:102; 13:16,17. Hij schept wat Hij wil, 42:49 (48).
Door zijn bevel wordt wat Hij zegt wat doet denken aan de Bijbelse parallel: ‘ want Hij sprak en het was en en hij gebood en het stond er’, Psalm 33:9. De schepping getuigt van Gods macht. Want Zijn machtswood en Zijn bevel brengen het bestaan tot stand. Wanneer Hij iets wil, hoeft Hij slechts te zeggen: ‘Word en zij wordt,’ 2:117 (111); vgl. 36:52’ ,6:73 (72); 16:40 (42); 36:82; 40:68 (70). Zo wordt Jezus met Adam vergeleken Adam ‘die God schiep van stof waarna Hij tot hem zei: Word! en hij werd. 3:59 (52). ‘Zo zegt Maria Mijn Heer hoe zou ik een kind kunnen verkrijgen daar toch geen menselijk wezen mij heeft aangeroerd (vgl. Lucas 1:34). Hij (Gabriel) zei: Zo schept God wat Hij wil wanneer Hij besloten is een zaak te beschikken dan zegt Hij slechts tot deze: Word en zij wordt, 3:47 (42); vgl. 19:35 (36).
Dit scheppen geschiedt niet uit frivoliteit, tijdverdrijf, of verstrooiing, 21:16,17; 44:38 ; tevergeefs, 3:191 (188), in lichtvaardigheid, of zonder doel. 23:115 , 116 (117), niet ‘ voor niets gedaan’, 38:27 (26).
De koran is geheel doordrongen van de gedachte van de schepping door God en van een gevoel van diepe verwondering. De mens wordt voortdurend opgeroepen zich van zijn schepsel- zijn bewust te zijn en God dankbaar te zijn voor Gods goedheid en hem te eren.

De schepping van de mens
Al voordat de mens werd geschapen, vroeg aan God aan de mensen toen zij dus nog in de lendenen van Adam waren: Ben ik niet jullie HEER? Zij antwoorden toen allemaal: Ja, wij getuigen dat dit zo is. Dit geschiedde, zo vertelt de koran, voor het geval zij later in hun leven en sterven bij de uiteindelijke opstanding uit de doden zouden komen aanzetten met een excuus en zeggen: Wij hadden geen idee daarvan, 7:172 (171). Dus de weg van de mens en zijn opdracht begint al voor zijn bestaan. Er is de weg van God naar de wereld, het bestaan, en de weg terug naar hem toe. De twee reizen: van God naar de wereld en van de wereld naar God worden vaak twee bogen van de cirkel van het bestaan genoemd. Chitt. 2000, 83,84).


Als de schepper van alle dingen is God duidelijk ook de schepper van de mens, ‘O Gij ,mensen vreest Uw Heer die u uit een enkel wezen (de eerste mens Adam) geschapen heeft en die haar (Eva) echtgenoot (Adam) daaruit geschapen heeft en uit hen beiden zijn vele mannen en vrouwen voortgekomen en zich over de aarde uitgebreid, 4:1 Godis het die de mens uit leem geschapen heeft en hierop voor hun leven een termijn bepaald geeft, 6:2.

De schepping van de mensen en de wereld is niet zonder plan of doel. De Koran is zeer onder de indruk van de schepping van de mens en ziet daar een bewijs in dat de God die kan scheppen ook kan herscheppen, d.w.z. bij de opstanding der doden. En hebben zij niet gezien hoe God de Schepping voor de eerste maal in aanzien brengt en haar daarna doet wederkomen? Dat is waarlijk voor God gemakkelijk. Zeg; reist rond op aarde en aanschouwt hoe God de schepping voor de eerste maal gemaakt heeft daarna zal God de latere verrijzenis bewerken [Op de dag der opstanding] God is over alle ding machtig,’ 29:19, 20 (18,19).

De mens is dienaar (‘abd) van God en een verantwoordelijk wezen. Dankbaarheid dient de grondhouding van het mens zijn. Er is een diep verband tussen geloof en dankbaarheid. Gelovig zijn betekent dankbaar zijn en zo is een ongelovige een ondankbare, de oorspronkelijke betekenis (kafir ), waarvan het Nederlandse woorden kaffer is afgeleid. Het wezen van ongeloof is ondankbaarheid. De meeste mensen zijn ondankbaar ten opzichte van de genadegave die god geeft, 27:73 (75). De mens is waarlijk slechts, en zeer ondankbaar, 14:34. Als je ongelovig /ondankbaar is God niet op je aangewezen of heeft je niet nodig. Hij schept in ondankbaarheid van zijn dienaren geen behagen, maar als je dankbaar bent, heeft hij behaagt Hem dat in je. 39: 7 (9).

Als Schepper is God een gids en helper, 25:31 (33); 2:107 (101), die op de juiste weg wil leiden, 1: 6)(5) ander verdwalen zij, 1:7. God alleen kan advocaat zijn, ‘De Heer van de opgang en de ondergang (zon) geen ander god is er dan Hij. Zo neem hem tot zaakbezorger (advocaat), 73 9. Bekend is het gebed: ‘Onze Heer houd er ons niet aan indien wij vergeetachtig waren of een misstap begingen. Onze Heer laad op ons geen last zoals Gij die geladen hebt op het die voor ons waren. Onze Heer doe ons niet dragen waartoe wij geen kracht hebben en scheld ons kwijt en vergeef ons en heb erbarmen met ons. Gij zijt onze Beschermheer bied ons dan hulp tegen de ongelovigen lieden. 2:286.

Geloven betekent erkennen dat God de soeverein Schepper is. De mens is gebonden aan God in een relatie van dankbaarheid, met de verplichting te erkennen hoe rijk de gave is welke de mens gekregen heeft. Niet alleen dankbaarheid geschapen te zijn, maar ook dat de overige schepping constant gevormd is rond onze menselijke noden en behoeften.
Gods bedoeling met de schepping van het universum is wonderbaar-lijk ontworpen om de mens van noden en behoeften te voorzien alles wat hij op aarde geschapen heeft, 2:29 (27): water daalt uit de hemel neer waardoor vruchten worden voortgebracht, 2:22 (20). De nacht is gemaakt om daarin te rusten, en de dag om duidelijk te zien, 10:67 (68). ‘God is het die de hemelen geschapen heeft en de aarde en uit de hemel water heeft doen neerdalen waarmede Hij vruchten heeft doen uitspruiten als onderhoud voor u. En Hij heeft voor u de schepen dienstbaar gemaakt om te varen op zee naar Zijn bevel en Hij heeft voor u de rivieren dienstbaar gemaakt. Hij heeft voor de zon en de maan dienstbaar gemaakt die beide hun baan doorlopen en voor u de dag en de nacht dienstbaar gemaakt. Hij heeft u gegeven van alles waarom gij hem gevraagd hebt en indien gij de weldaden van God opsomt kunt gij die niet tellen. De mens is waar een onrecht-doener en ondankbaar, 14: 32-34 (37).
Kuddedieren heeft hij geschapen om je met hun wol warm te houden, en van te eten, en ondervindt vreugde eraan om ze te weiden, uw lasten te dragen, paarden, muildieren en ezels om te berijden en om daarmee sier te maken, 16:5-8; Hij doet veldgewas ontspruiten, olijf- en dadelbomen, wijnranken en allerlei vruchten. Daarin ligt waarlijk een teken. De zee is dienstbaar aan het eten van vers vlees dat de mens daaruit ophaalt, 16: 10-14, tot huizen heeft hij de huiden van kudde dieren gegeven, en uit hun wol, pels, en haren gebruiksgenot geeft. Hij heeft kleding bezorgd tegen hitte , 16: 80, 81 (82).
Hij die de dageraad doet aanbreken. Hij heeft de nacht gesteld tot een rusttijd en de zon en de maan tot berekening (van de tijd). Dat is de beschikking van de Geweldige, de Wetende. 6:96 (95).
Maar God schiep het universum niet louter voor het gemak en het genieten van het menselijk ras.

De wereld is een plaats waar de mens beproefd wordt. God heeft de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen, terwijl Zijn troon op het water [boven het water zweefde] [Genesis 1:2; Psalm 104. Openbaring 4:6.] was opdat Hij u zou beproeven wie van u het beste handelt, 11: 7 (9). ‘Wij hebben wat op aarde is tot een tooisel voor haar gemaakt opdat Wij hen zouden beproeven om te zien wie van hun het best handelt,’ 18:7 (6). De dood en het leven heeft Hij geschapen om de mens te beproeven om te zien wie van hen het beste handelt. 67:2.
Beproeving dient het doel onderscheid te maken tussen degeen die gelovig is of niet, die recht doet en wie niet.
Gelovigen worden in de wereld aan beproevingen blootgesteld zowel materieel als geestelijk. In hun bezittingen zullen zij beproefd worden, en in hun persoon, 3:186 (183). God heeft de mens als Zijn plaatsbekleder (kalief) op aarde aangesteld/. De een is een hogere rang verleend dan de ander om hen op de proef te stellen in wat hen gegeven is. De Heer is snel in bestraffen, maar ook barmhartig en bereid om te vergeven, 6:165.; Elke ziel zal eens de dood smaken. God beproeft de mens met het kwade en het goede tot een verzoeking. Tot God zal de mens eens worden teruggevoerd, 21:35 (36).
God kan de mens op de proef stellen door vrees voor vijanden of en honger en verlies van bezittingen en gebrek aan vruchten voor levensonderhoud. Dat geldt als een reden voor een blijde boodschap: Breng degenen die geduldig zijn een goede tijding. Die welke als een ramp hen treft zeggen: Wij behoren aan God en wij zullen tot hem terugkeren. 2: 155,156 (150, 151). (Bijlmer). Dit laatste Koranvers werd in de multi- religieuze viering na de Bijlmer ramp door een Marokkaanse imam gereciteerd!

Vaak wordt de mens opgeroepen om de (wonder) tekenen in de schepping te aanschouwen. God spreekt niet alleen door de woorden aan de profeten, maar ook door de tekenen in de natuur. Daarvoor wordt hetzelfde woord gebruikt. De koran en het boek van de natuur. De verzen waaruit de koran bestaat worden ook tekenen genoemd. Er zijn de de opeenvolging van de nacht en de dag en in wat God geschapen heeft in de hemelen en op aarde tekenen voor lieden die vrezen. 10: 6. Hij is het die voor u de nacht gemaakt heeft om daarom te rusten en de dag om zichtbaarheid te geven. Daarin zijn waarlijk tekenen voor leiden die horen, 10: 67 (68); 17:12 (13); 20:53, 54 (55,56) .24: 44- 46 (44,45); 29:44 (43); 42:29 (28).
De mens wordt wel gewaarschuwd de tekenen van de natuur nauw-keurig te lezen. Want de nacht en de dag, de zon en de maan behoren tot Zij tekenen, maar de mens moet zich niet neerwerpen voor de zon noch voor de maan, maar zich voor God neer ter werpen die hem geschapen heeft als zij tenminste Hem willen dienen, 41:37. vgl. 6:75-79.

De mens wordt benoemd tot Gods vice-regent (kalief) op aarde 2:30. De engelen waarschuwen dat de mens verderf zal brengen op aarde. De mens wordt oproepen: ‘Breng geen verderf op aarde nadat het tot heil gebracht is. En roept Hem aan in vrees en verlangen naar Zijn barmhartigheid. Gods barmhartigheid is degenen die rechtschapen zijn nabij, 7:56 (54).

Over de ziel van de mens zegt de koran dingen:
1. De ziel zet aan tot kwaad, gebiedster van het kwade,. Koran 12:53.
De ziel de zich beschuldigt, of verwijten maakt, Koran 75:2.
De ziel, heeft geloofd, en dat tot het einde van zijn leven is trouw gebleven) die vrede gevonden heeft, ‘Keer tevreden en wel-voldaan tot uw Heer terug. 89:27, 28.

De Koran vertelt dat God na de schepping de mens de namen leerde, 2:31 (29). Want God leerde hem de namen. Alle van hen. De namen worden ons gegeven om ons te leren en de weg te wijzen. De namen wordt uitgelegd als betrekking hebbend op de namen van God. Veelal wordt over de 99 schone namen van God gesproken . De naam van god, welke insluit de 99 schone namen. De namen vertegenwoordigen de ethische kwaliteiten. De Werkelijke (Haqq, een belangrijke naam voor God) ziet Zijn vorm in de spiegel van de mens, en schepsel ziet zijn vorm in Hem. Zo weerspiegelen Zijn vergeving en vriendelijkheid. De mens moet zich leren kwalificeren met de kwaliteiten van God. Wie zichzelf kent, kent God. De eigenschappen van de mens weerspiegelen dan ook de goddelijke eigenschappen. De eigenschappen van de mensen weerspiegelen dan ook de goddelijke eigenschappen. Het gaat erom de eigenschappen van God in het leven te verwerkelijken en deze na te volgen. De namen worden ons gegeven om ons te leren en de weg te wijzen. Om de ware status van de mens die in zijn leven tot volmaaktheid komt, de volmaakte mens ( insan al kamil ) te bereiken, volgt de mens de voetstappen van hun vader Adam, die God naar zijn eigen vorm schiep, hem de locus van de manifestatie voor zijn eigen omvattende naam te maken. De perfecte mensen brengen de vorm van de werkelijkheid en de vorm van de kosmos samen.
Drie goddelijke boeken: Koran; Kosmos en de menselijk ziel.
Het is niet voldoende alleen Gods tekenen in de twee uiterlijke boeken te volgen: de koran en het universum. Het menselijk zelf is de grootste van alle boeken. Zowel het universum en de Koran zijn middelen om het doel te bereiken, maar geen van beide heeft het potentieel een zelfbewust boek te worden. Beide manifesteren de verborgen schat, maar geen van beide kan een vol bewustzijn bekomen. De volmaakte mens is een boek dat al de goddelijke en kosmische boeken kent. Die kent zijn heer. ‘Lees uw schrift. Gij zelf (uw eigen ziel) zult nu (op grond van uw eigen schrift) genoeg met u afrekenen. Koran 17:14 (15).
Zoals gezegd, de mens zal terugkeren tot God, maar hoe zal die terugkeer plaatsvinden? Zullen wij terugkeren tot Gods barmhartig-heid of Zijn toorn, het geluk of kastijding, het paradijs of hel? Mensen zullen terugkeren tot de specifieke goddelijke namen welke sporen zij tijdens hun verblijf in de wereld hebben geactualiseerd en zij moeten verscheidene eigenschappen en karaktertrekken van de namen niet vergeten. (Chit..r.. , 2000, 87).


Quran 5:32. Verderf brengen in het land/op aarde. De straf op het verderf brengen op aarde is zeer streng: executie en kruisiging. , of het afhakken van handen, of verbanning uit het land; dat is hun disgrace in de wereld en een hevig straf in het hiernamaals., Q 5:33 tenzij de genen die het begaat berouw heeft.
‘Doch de vergelding van hen die God en Zijn boodschapper bestrijden en zich beijveren verderf te brengen in het land is dat zij ter dood gebracht worden of gekruisigd of dat hun handen en boeten worden afgehakt aan weerszijden of dat zij uit het land verbannen worden. Dat is voor hen vernedering in het nabije leven en voor het is het latere leven een ontzaglijke bestraffing., 5:33 (37).

Dat verderf is niet alleen kwalijke persoonlijke daden, maar ook uitdrukkingen van fundamentele vijandschap ten opzichte van en ondergraving van Gods geschapen orde , een orde die zowel de natuur en gerechtigheid omvat (* Justice and injustice)
‘vrees dan God en gehoorzaamt mij en gehoorzaam niet degenen die overmatigen die verderf brengen op aarde en geen heil bewerken. Koran 26: 150,-152 (151, 152).
Een bijzondere passage die gaat over iemand die verderf brengt is:
En er zijn mensen wier woorden over het nabije leven indruk op u maken en die God tot getuige maken voor wat in hun hart is maar toch behoren zij tot de ergste twistzoekers. En wanneer zo een heengaat beijvert hij zich op de aardse verderf te verspreiden en het bouwland en het jonge vee te vernielen. Maar God bemint niet het verderf.. Koran 2:204, 205( 202, 202).


God en de schepping van de mens
God heeft u geschapen uit stof en daarna uit een druppel en daarna heeft Hij u tot paren gemaakt. gene vrouwelijk wezen wordt zwanger noch baart zij of het is met Zijn kennis. Niet wordt een leven bekort of het is in een Schrift. Dat is voor God gemakkelijk.
Niet zijn gelijk de beide zeeën de een is zoet en welsmakend en de ander zout en bitter en toch hebt gij uit beide voedsel en fris vlees en haalt gij sier [zoals parels] daaruit op waarmede gij u nooit en gij ziet de schepen haar doorklieven om uw begeert te bevredigen naar Zijn genade (handelswaar) En het is opdat gij dankbaar mocht worden.
Hij brengt de nacht over in de dag en brengt de dag over in de nacht en Hij heeft de zon en de maan dienstbaar gemaakt een ieder lopende tot een vastgestelde termijn. Dat is nu God uw heer aan hem behoort het koningschap. Maar zij die gij aanroept buiten Hem hebben over een dadel-vliesje nog geen macht. 35: 11-13 (12-14).



GOD IS DE SCHEPPER

Schepper, 59:24; 15:86. initiator, 59:24, formeerder,59:24 en de Schepper van de hemelen en de aarde, 2:117. Zonder schepping zou er geen bewijs noch getuigen zijn van God suprematie zonder rivaal.
De Koran presenteert een antropocentrisch gezichtspunt van God creativiteit Gods rol in de schepping van mensen, zowel de eerste persoon als ieder volgende individu.
terwijl de engelen en de djinns uit vuur zijn geschapen, 15:27, wordt de mens geschapen door Gods handen, 38:75-6 van aarde , 20:55 stof, 3:59; 30:20 en van verschillende vormen van klei 6:2; 15:26; 55:14.
God blaast zijn geeft in de schepsel, 15:29; 32:9’ 38:72.
God formeert de mens in stadia, 71:14 in de schoot. 23:12-14.
De hemelen en de aarde zijn alle gearrangeerd voor de mensheid. God is degeen die de hemelen en de aarde schiep en doet water neerdalen uit de lucht, en brengt zo vrucht voort voor jou en laat schepen je dienen: ‘En hij heeft voor u de schepen dienstbaar gemaakt om te varen op zee naar Zijn bevel en Hij heeft voor u de rivieren dienstbaar gemaakt. Hij heeft voor u de zon en de maan dienstbaar gemaakt als twee zwoegers en hij heeft voor u de dag en de nacht dienbaar gemaakt. 14:32,33 (37). Zelfs de sterren zij gemaakt om mensen hun weg te doen vinden: ‘Hij die de dageraad doet aanbreken. Hij heeft der nacht gesteld tot een rusttij en de zon en de maan tot rekening. Dat is de beschikking van de Geweldige, de Wetende. Hij is die de sterren voor u heeft gesteld opdat gij u daardoor zou laten leiden in de duisternissen van het land en de zee. Wij hebben de tekenen duidelijk uiteengezet voor lieden die kennis nemen. 6:96-97.
Engelen protesteerden tegen schepping van mensen van zwarte mud 2:30. Viermaal vertelt over niet neer buigen van Iblis voor de mens.
Veel van de goddelijke eigenschappen kunnen gevonden worden in de schepping , ofschoon God is hun oorsprong en vervolmaking. God is de al horende, 2:127; ede alziende, Koran 17:1, benoemt ook voor mensen gehoor en gezicht, Koran 32:9. terwijl anderen levend mogen zijn, omdat de Levende, Koran 2:255 ook de gever is van het leven, Koran 41:39.
Anderen mogen barmhartig zijn maar God is de meest barmhartige Koran 7:151 en de meest rechtvaardige van de rechters, Koran 95:8.
God alleen omvat alle dingen Koran 3:120; 2:115. terwijl anderen alleen omvatten wat God wil, Koran 2:255. God alleen is alwetend, Koran 2:32 en andere weten alleen zoveel als wat God hen leert.
Op het moment van de schepping, leert God Adam de namen van de dingen iets wat de engelen niet weten en god vernedert dan de engelen door hen hun betrekkelijke onwetendheid te demonstreren, Koran 2:31-33.

IN HET SCHEPPEN OPENBAART GOD
Gods eerste openbaring is in de schepping. Juist zoals de scheppende activiteit van God continue is en niet beperkt is tot het eerste moment, benadrukt de Koran dat God constant voorziet van tekenen, die manifesteren alles wat wij behoeven te weten over God of ober om juiste plaats in relatie tot God. De natuurverschijnsel die op de Schepper wijzen zijn te begrijpen voor ieder die intelligentie heeft en te beantwoorden met reflectie erop (die tekenen nl.) met getrouwe overgaven (iman, islam). De levenloze schepping zelf erkent en onderwerpt zich aan Gods soevereiniteit: Hebben zij soms niet gezien naar wat God aan dingen geschapen heeft waarvan schaduwen naar recht en links bewegen zich neerwerpend voor God in onderworpenheid? [Het op en neergaan van de schaduwen van bijvoorbeeld bergen en bomen moet worden opgevat als een zich (deemoedig) neerbuigen voor God] 16:48, vgl. 13:15(16). mensen echter geven weinig aandacht aan de duidelijke bewijzen van Gods soevereiniteit. Zij zijn onachtzaam, 7:136 (132), ‘zij hebben Gpod vergeten en nu heeft Hij hen vergeten, 9:67 (68).Ofschoon zij zich tot God wenden als hun leven in gevaar zijn, totdat die weer voorbij is: ‘En wanneer zij aan boord van schepen gaan dan roepen zij God dat zij hun godsdienst op hem instellen. Doch wanneer Hij zij veilig aan land gezet zijn, dan weten zij niets beter te doen dan gaan zij genoten geven’, 29:65; En wanneer de mens rampspoed overkomt roept hij zijn Heer, zich boetvaardig tot hem wendend. Dan wanneer Hij hem met weldaad begunstigt. vergeet hij wat hij tevoren placht aan te roepen ...39:8 (11).

GODS BOODSCHAPPERS
De overvloedig openbaring in de natuur faalde om de juiste respons te bewerkstelligen van mensen. . Zij herinneren zich nauwelijks de gezworen getuigenis van Gods uniciteit en soevereiniteit, (en denken niet over de evidenties die hen omringen. Zelfs de eerste mens werd al gevonden ontrouw te zijn aan het verbond dat god met hem maakte: E wij hadden toch vroeger Adam verplicht (ver vand e verboden boom te blijven en niet naar Satan te luisteren). Maar hij vergat waartoe hij verplicht was. En wij vonden bij hem geen vastbeslotenheid om de rechte weg te bewandelen. 20:115 (114).
Daarom zond God boodschappers om te waarschuwen voor de consequenties.: de mensen te herinneren aan hun verbond. (gouden kalf) 7:148. De boodschappers herinneren de mensen aan Gods zegen en de tekenen rondom hen. Zij roepen de mensen tot geloof, 40:10, tot redding . 40:41(44) en tot de rechte weg/leiding 7:148 (146).
De boodschappers zijn ook belast met te vertellen en met uitleg aan hun volk de geschiedenis van Gods handelen met de mensheid de geschiedenis van profetie en het lot van de naties die voor hen zijn voorbijgegaan: ‘Wij hebben toch tekenen (verzen) tot u neer-gezonden die alles duidelijk maken en een voorbeeld (uit de geschiedenis) van diegene die voor u gegaan zijn en een vermaning voro de godvrezenden,’ 24:34.
In de Koran bezoekt God steeds opnieuw de tekenenen in de natuur en de geschiedenis met een serie van formules een refrein met het gewenste respons: Misschien zou je. Zul je niet?
De werkwoorden in deze drie refreinen zijn treffend intellectueel: leren, nadenken, redeneren, herinneren, opletten , inzien, denken.
De tekenen van God, verweven in de natuur, gemanifesteerd in de geschiedenis gerepeteerd in gedetailleerd door de boodschappers van God, zijn bedoeld om aan de mensen te openbaren een zich in de aard van de dingen, die alleen God bezit. Zij moeten gelezen worden en de passende conclusie daaruit getrokken. Zodra deze transformerende kennis is verworven is het ondenkbaar dat mensen dat mensen zouden terugkeren tot hun eigen ongeïnformeerde ideeën (ahwa) over hoe dingen zijn: ‘De joden en de christenen zullen niet tevreden zijn zolang gij niet hun belijdenis volgt. Zeg: de rechte leiding is alle die van God. Zult gij echter na al het weten dat wij u vanwege God toegekomen is, uw persoonlijke neigingen volgen (en het eware geloof opgegeven, dan hebt hij tegenover God vriend noch helper. . 2:120 (114).
De tekenen die Gods openbaring volgen in de natuur en de geschiedenis komend herhaaldelijk tot de mensen, als het ware, in de vormen van verzen van de schriften die herinneren en gereciteerd moeten woerden. Het doel van Gods herhaaldelijk kiezen van boodschappers en hen met de boodschap toevertrouwen is reeds duidelijk in de tekenen rondom hen. Het zou gezegd kunnen worden dat er geen wezenlijk verschil is tussen de verzen ) in de Koran of de historische tekenen (verzen ). die alle zijn daar om de vergeetachtige en de onoplettende te herinneren aan de fundamentele waarheid van Gods soevereiniteit en grenzeloze zorg.

Wij hebben het scheppen van de hemel en de aarde ‘ voor niets gedaan’, ijdel, 38:27 (26).


De koran roept de mensen op te delen van de bewondering en ervan te leren:, /7:54-56;
‘Aldus bedienen Wij os van de tekenen voor lieden die dankbaar zijn, 7:58(56).
Daar is werkelijk een exempel voor lieden van inzicht, 24: 44. (24:43,44);
‘En Hij is het die voor u de nacht bestemd heeft tot een bekleding en de slaap tot rust en die de dag gemaakt heeft tot herrijzing. En Hij is het die de winden vooruitgezonden heeft als verkondigers van Zijn barmhartigheid. En Wij doen uit de hemel rein water nederdalen om daarmede een dode streek levend te maken en om ermede te drenken kuddedieren en mensen die Wij geschapen hebben in grote getale. En Wij hebben ons in hun midden van haar [de openbaring of de regens] bediend opdat zijn gemaand zouden worden doch de meesten der mensen willen niets anders dan ondankbaarheid. 25: 47-50, Vgl. verder /25: 53, 54, 61, 62; /26:7;

‘Hij heeft de hemelen geschapen zonder stutsel dat gij kunt zien en Hij heeft in de aarde pijlers geslagen dat zij niet met u zou wankelen en Hij heeft op haar allerlei gedierte verspreid. En Wij hebben uit de hemel water doen nederdalen waarna Wij op haar allerlei soorten hebben doen uitspruiten. Dit is de schepping Gods. Toont Mij nu wat zij die buiten Hem zijn geschapen hebben. Neen onrecht-doeners zijn in klaarblijkelijke dwaling, 31:10 (9); 35:13. en bewaarder: ‘Hij zei: Zal ik u op andere wijze met hem vertrouwen dan zoals ik u vertrouwd heb met zijn broeder voor dezen. Doch God is de beste behoeder en Hij is de barmhartigste der erbarmers, 12:64; ... Mijn Heer is over alle ding behoeder;, 11:57.

Hoop (*) en geduld, volharding (trust, patience) helpen een gelovige gedurende momenten van beproeving.



En God heeft de hemelen en de aarde waarachtig geschapen en opdat ieder ziel vergolden worden wat zij vergaard had zonder dat hun onrecht wordt gedaan: 45: 22 (21).

HET BESCHOUWEN VAN DE SCHEPPING
‘Natuurlijke theologie’.
Er is veel te ontlenen aan het beschouwen van de schepping (+ soefisme over de mens). Mij spreekt de blomme een tale, Guido Gezelle.


.. Hij heeft de zon en de maan dienstbaar gemaakt een ieder lopende tot een vastgestelde termijn. Hij voert het bestier en zet tekenen duidelijk uiteen opdat gij wellicht zult verzekerd worden van de ontmoeting met uw Heer. 13: 3.

‘In de schepping der hemelen en de aarde en in het opeenvolgen van de nacht en de dag en in de schepen die over de zee varen met wat de mensen baat en in het water dat go uit de hemel heeft doen nederdalen zodat Hij daarmede de aarde heeft leven gemaakt nadat zij op haar allerlei dieren heeft verspreid en in het bestuur van de winden en de wolken die dienstbaar zijn gesteld tussen de hemel en de aarde daar zijn waarlijk tekenen voor lieden die verstandig zijn, 2: 163, 164 (158, 159).

De Koranische natuurlijke theologie heeft zowel ethische als theologische implicaties.


DE MORELE IMPLICATIES VAN GOD ALS SOEVEREIN EN SCHEPPER
Iblis in het bijzonder, 7:12 11); 38:76 (77) en de djinn, in het algemeen, 15:27, 55:15 (14) zijn geschapen uit vuur. De mens anderzijds is geschapen uit stof, 30:20 (19), dit wordt speciaal verklaard van Adam en Jezus in 3: 59 (52), Uit haar heen Wij u geschapen en in haar zullen Wij u doen terugkeren en uit haar zullen Wij u uitbrengen voor een twee maal (de aarde, (ard) 20:55 (57) uit klei/leem, 6:2.
Ik ben beter dan hij., Gij hebt mij van vuur geschapen en Gij hebt hem van leem geschapen, 7:12 (11);
‘Die wel gemaakt heeft alle ding dat Hij schiep. Hij heeft de schepping van der mens de eerste maal begonnen uit leem, 32:7; Toen uw heer zei tot de engelen; Ik ga nageslacht scheppebn van leem. 38:71. Hij (duivel) zei: Ik ben beter dan hij. Gij hebt mnij geschapan van vuur en Gij hebt hem gescghapen van leem., 38:76 (77) Vgl. neerwerpen voor wat gemaakt is uit leem, 17:61 (63).
‘ Indien gij (Mohammed) u verwondert dan is verwonderlijk dat zij (ongelovigen) zeggen: Zullen wij soms wanneer wij stof zijn geworden ons bevinden in een nieuwe schepping?’13:5;

‘En zij zeggen: Wanneer wij verloren zijn gegaan in de aarde zullen wij dan waarlijk deel hebben aan een nieuwe schepping? neen zij zijn ongelovig aan de ontmoeting met hun Heer , 32:10 (9). ‘ Smaakt dan de straf daarvoor dat gij de ontmoeting van deze uw dag hebt vergeten. 32:14.

‘En diegene die ongelovig zij zeggen: Zullen wij u tot een man (Mohammed) brengen, die u verkondigt dat hij wanneer gij eerst gestorven zijt en geheel en al vergaan, weer in een nieuwe schepping opnieuw tot leven komt?’ 34:7
‘Dat is hun vergelding daarvoor dat zij ongelovig waren aan Onze tekenen en zeiden: waneer wij zijn geworden beenderen en overschot zullen wij dan waarlijk worden opgewerkt als een nieuwe Schepping? En hebben zij soms niet gezien dat God die geschapen heeft de hemelen en der aarde machtig is iets aan hen gelijks te scheppen en dat Hij voor hen een termijn heeft gesteld waaraan geen twijfel is? Doch de onrecht-doeners willen niet anders dan ondankbaarheid, 17:98, 99 (100, 101).

-----------------------------------------------------------------------------------------------

verschenen in Roodkoper december 2008

Christiaan van Nispen tot Sevenaer S.J. Christenen en moslims. Confrontatie of dialoog. (Averbode). 2006. Oorspronkelijk in het Frans geschreven en inmiddels in het Engels, Italiaans, Indonesisch en Arabisch verschenen.
In 1962 ging Christiaan van Nispen als Jezuïet naar Cairo, het hart van de Arabische moslimse wereld. Hij specialiseerde zich op het terrein van de Arabische filosofie en islamologie. Sinds 1964 is hij als hoogleraar aan de Koptisch Katholieke universiteit in Cairo. Hoewel wat nationaliteit betreft nog steeds Nederlander, is hij de Egyptenaar een Egyptenaar geworden.
Een van zijn docenten Arabisch, een medebroeder in Libanon, is bepalend geworden voor zijn latere levenshouding. Deze vertelde ooit: sommige mensen leren Arabisch om te kunnen mededelen wat ze te zeggen hebben: dat is al uitstekend. Maar anderen leren die taal allereerst om door die taal verrijkt te worden. Maar vooral cruciaal en bepalend voor zijn leven is geworden wat deze zelfde priester zei over de opstelling tegenover de islam. Ook toen al bestond er in Libanon - weliswaar nog jaren voor het uitbreken van de Libanese burgeroorlog (1975-1990) - vaak veel wederzijdse negatieve visies van christenen en moslims op elkaar. Zo spraken christenen op een negatieve manier manier over een bepaalde volkswijk in Beirut, Basta, een moslimbuurt die zij als een ‘smerige buurt’ beschouwden. Zijn docent zei daarover: Misschien is het in Basta wat viezer dan in andere buurten, daar blijf ik buiten. Maar ik weet wel dat men zo niet behoort te spreken over mensen van wie men houdt!’. Deze woorden zijn voor hem een maatstaf geworden om na te gaan hoe te kijken, welke houding aan te nemen, en op wat voor wijze te spreken. Deze uitspraak hield voor hem een heel programma in en hij ontdekte steeds opnieuw hoezeer daarmee een houding van het hart, een geestelijke stellingname wordt uitgedrukt.

In dit boek wordt op geheel persoonlijke wijze verteld welke ontwikkeling hij heeft doorgemaakt: zijn ontdekkingstocht naar het hart van de islam. Hij leerde kijken door andermans ogen, bijvoorbeeld de kruistochten door Arabische ogen te bezien, een periode die zo’n sterk stempel heeft gedrukt - en dat nog steeds doet - op het collectief historisch geheugen van beide partijen. Wonden uit het verleden zijn vaak wederkerig. Voor beide partijen bestaat de noodzaak van genezing. De vicieuze cirkel van wederzijds wantrouwen en wederzijdse beschuldigingen moet doorbroken worden, en een fundament gelegd van wederzijds vertrouwen. Voor goed dient de weg van de beledigende, onvruchtbare en het geloof onwaardige polemieken verlaten te worden.

In een Arabisch islamitisch christelijk handvest ‘De dialoog en het gemeenschappelijk leven’ van na de elfde september 2001 staat: Dialoog blijft niet beperkt tot burgers van hetzelfde vaderland. ‘Het is ook een dialoog tussen gelovigen die hun streven zien als de praktische gestalte van hun gemeenschappelijke godsdienstige waarden, welke in hun ogen ten grondslag liggen aan de zin van het pluralisme, de kennis van elkaar, de absolute waardigheid van de mensen en de waarden van gerechtigheid, recht, liefdadigheid, genegenheid, liefde, erbarmen alsmede de opbouw van de aarde. In dit stuk wordt gewaarschuwd tegen spreken met dubbele tong (tegen aanhangers van andere godsdiensten enerzijds en de eigen achterban anderzijds) en de huichelachtigheid van wollig taalgebruik.

Het hele boek getuigt van een en al oefening in fijnzinnigheid. Karakteristiek is dat het boek is opgedragen aan de nagedachtenis van Mahmud Ragab. ‘Mijn broer in God, wiens vriendschap aan de bron ligt van dit boek.
Door dit boek wil hij anderen laten delen in wat hij ontdekt heeft - over de islam en de moslims - en de overtuigingen die hij verworven heeft. Hij ontwikkelt zijn visie op de onderlinge verhoudingen tussen christenen en moslims, waarbij voor hem de concrete contacten de voorwaarden zijn voor elke dialoog. Naast allerlei wetenschappelijke contacten zoals die met het Egyptisch Filosofische gezelschap - maakt hij zelf deel uit van een bepaalde Religieuze Broederschap. Ook is hij lid van een Egyptische commissie voor gerechtigheid en vrede, een groep van mensen die samen willen bijdragen aan het bouwen aan de betere samenleving, een groep die concreet het medeburgerschap wil beleven. Die commissie is een teken geworden van de aanwezigheid van de kerk in het openbare leven van de Egyptische samenleving.

In 1996 verscheen - in het Frans - Van Nispens omvangrijke werk over een van de invloedrijkste moderne Koran commentaren uit de eerste helft van de twintigste eeuw. In dit boek schrijft hij hoe het wetenschappelijk werk van de Egyptische Koran geleerde, Nasr Abu Zaid, een hoogleraar die meer dan tien jaar geleden asiel kreeg in Nederland (Leiden), vanwege zijn kritische studies over de Koran. Hij vertelt hoe die studies ondanks alle commotie in Egypte tot een discussie heeft geleid die voor iedereen uiterst vruchtbaar was. De weerstand die wordt opgeroepen door een vernieuwend religieuze wijze van denken, en een nieuwe hermeneutiek van het heilige Boek, een nieuwe benadering van de Koran, is naar zijn mening allereerst een culturele kwestie. Een soortgelijke situatie treft men ook aan in de Koptisch Orthodoxe kerk. Ook daar worden de gezag dragers afgeschrikt door de moderne kritische (Bijbel) exegese. Hij constateert toch in Egypte wel degelijk beweging op het gebied van het religieuze denken. De kritische geschriften op het terrein van de uitleg van de Koran van Nasr Abu Zaid blijven in Egypte gelezen worden, evenals die van diens collega’s die Nasr aanpak volgen. Van Nispen citeert in dit verband de beroemde moderne Pakistaanse Koran geleerde Fazlur Rahman - een geruchtmakende en tegelijkertijd zeer invloedrijke moderne moslimse Korangeleerde, die ooit gezegd heeft: Wil een vernieuwend hervormend denken succes hebben, dan moet het niet alleen open staan voor wat de modern wetenschap aan verrijking en uitdagingen te bieden heeft, maar tegelijkertijd ook stevig geworteld zijn in het islamitische erfgoed.

Steeds blijkt hoezeer de geestelijke dimensie centraal staat voor betrokkenen, zowel moslim als christenen. Door een van de deelnemers van de ‘Religieuze Broederschap’, een oud minister van godsdienstzaken en oud rector van de universiteit al-Azhar, de belangrijkste moslim-universiteit in de Arabische wereld, werd ten behoeve van de groep een gezamenlijke gebed opgesteld. Dit gebed geldt tevens als het handvest van de beweging:

God, het is tot U dat wij ons richten,
U bent het op wie wij vertrouwen,
U bent het om wiens hulp wij smeken,
en U bent het die wij smekend vragen
aan ons de kracht te schenken van het geloof in U
en de juiste levenswijze onder leiding van
uw profeten en gezondenen.
En wij smeken U, o God, ieder van ons
trouw te maken aan zijn geloof en godsdienst,
zonder de bekrompenheid waarmee wij onszelf benadelen,
en zonder het fanatisme dat nadelig is voor onze landgenoten.
Wij vragen U, onze Heer, met grote aandrang
onze religieuze broederschap te willen zegenen, en te bewerken dat oprechtheid de leidsman moge zijn op ons pad.
gerechtigheid het doel wat wij daarin nastreven,
en vrede de weldaad die wij daarin vinden:
o Levende, o Eeuwige,
o Gij, aan wie de roem en de eer toekomt.
Amen.

De geestelijke dimensie bij elke ontmoeting staat voor Christiaan van Nispen steeds centraal. Het geestelijke leven als plaats waar moslims en christenen elkaar ontmoeten. Samen staande voor God, en daarom samen opkomend voor de mens.




-----------------------------------------------------------------------------------------------

Uit : Al Nisa 2008

Prof. Dr. Anton Wessels ontving zijn opleiding op het terrein van de theologie en godsdienstwetenschap aan de Vrije Universiteit Amsterdam, de Rijks Universiteiten van Utrecht en Leiden en de Cairo Universiteit in Cairo (Egypte). Hij schreef een proefschrift over het beeld van de profeet Mohammed in de Moderne Arabische Literatuur. (1972) Van 1971-1978 was hij associate professor voor verhouding Islam en Christendom aan de Theologische Hogeschool in Beirut, Libanon en van 1978-2003 hoogleraar aan de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit Amsterdam op het terrein van de de verhouding van culturen - ook niet-westerse - en op het gebied van de godsdienstwetenschap in het bijzonder de islam. Enkele van zijn publicaties zijn: Kerstening en ontkerstening van Europa. Wisselwerking tussen evangelie en cultuur. (Ten Have) Baarn 1994. De Koran verstaan. (J.H. Kok) Kampen vijf drukken sinds 1986. Islam verhalenderwijs. (Uitgeverij Nieuwe Zijds) Amsterdam 2002 (tweede druk). Gelukkig in de Akbarstraat. (Ten Have) Kampen 2004.

In dit artikel wordt zowel naar de Bijbel als de Koran verwezen. Voor wie het Arabisch niet macht is kan gebruik maken van vertalingen als die van Fred Leemhuis. Wat de Bijbel betreft kan aan de Nieuwe Bijbel vertaling gedacht worden. Deze en andere vertalingen bevatten ook een inhoudsopgave van het Oude en Nieuwe Testament waardoor kan men gemakkelijk verwijzingen uit dit artikel naar bijvoorbeeld naar Bijbelboeken als Samuel, Koningen, Jesaja en Sefanja of de Psalmen en Mattheus en Lukas kan terugvinden.


JODEN, CHRISTENEN EN MOSLIMS ZIJN VERBONDEN
In 1989 werd ik uitgenodigd in het Instituut voor sociale studies in Den Haag een lezing te houden naar aanleiding van het boek De Duivels verzen van Salman Rushdie en met name wat hij daarin schreef over de profeet Mohammed. In het gehoor van voornamelijk islamitische studenten waren er twee, zo bleek tijdens de vragenronde, die vonden dat ayatollah Khomeini gelijk had, dat Salman Rushdie gedood moest worden. Mijn spontane antwoord aan deze twee - waarop zij zwegen - was toen: ‘De Koran is niet van U, de Bijbel is niet van mij. Mohammed is niet van U, en Jezus is niet van mij. Maar wij staan in de gemeenschappelijke traditie van de mensheid. Profeten hebben tot ons gesproken en van ons wordt een respons, een antwoord verwacht.’
Geen van drieën, jood, christen of moslim, moet denken dat hij of zij een patent heeft op respectievelijk Mozes/Musa, Jezus/’Isa of Mohammed. Geen van drieën heeft het alleen- vertoningsrecht op de waarheid. Wij doen er alle drie goed aan om onze eigen en elkaars boeken en profeten serieus te nemen en naar elkaar te leren luisteren. Joden, christenen en moslims weten zich verbonden met een profetische traditie die met Abraham begint en via Mozes en Jezus uitloopt op Mohammed. Zo leert het de Koran. Mohammed ziet zich zelf staan in de profetische traditie zoals die in de Bijbel te vinden is. Daarom riep hij joden en christenen op om hem en zijn boodschap - later neergelegd en bijeengebracht in de Koran - te aanvaarden.
Die erkenning is echter, op uitzonderingen na, bij vele joden en christenen toen en later uitgebleven. Er waren ontmoetingen en gesprekken van de profeet Mohammed met joden en christenen. Beroemd is die ontmoeting tussen de profeet Mohammed en een delegatie van christenen uit Jemen waarbij over Jezus gesproken werd. In 630 kwamen deze christenen, onder wie een bisschop, uit Nadrjan de profeet in Medina opzoeken. Nadjran was ooit een van de heilige steden voor Arabische christenen in het Arabische schiereiland. De profeet Mohammed beschouwde deze christenen die bij hem kwamen als gelovigen. Hij probeert hen ook van de echtheid van zijn eigen zending te overtuigen. In die ontmoeting werd gesproken over het verstaan van de betekenis van Jezus. De ontkenning dat Jezus goddelijk zou zijn roept van de zijde van de christelijke delegatie verzet op. Beide partijen kunnen het niet met elkaar eens worden. De profeet Mohammed daagt de christenen dan uit om God te laten beslissen via een Godsgericht, een soort vuurproef, wie gelijk heeft en de waarheid spreekt. De christelijke delegatie ziet liever van een dergelijk proef af. Dan wordt er met de christelijke delegatie van Nadjrân een verdrag gesloten, en de uiteindelijke beslissing aan God overgelaten: 'God zal het oordeel vellen tussen u op de dag der opstanding over datgene waar gij het over oneens waart', 22:69 (68).1

Erkenning van elkaars heilige boeken en profeten
Het zou erg belangrijk zijn zowel in ons land als wereldwijd dat deze drie familieleden van Abraham/Ibrahim - joden, christenen en moslims - met elkaar in gesprek gaan over de eigen en elkaars ‘heilige boeken.’ Nu is het zo dat volgens de Koran de boodschap die Mohammed bracht wezenlijk dezelfde is als die waarmee Mozes en Jezus kwam. Aan Mozes werd de Thora/Tawra gegeven, aan Jezus de Indjil en zo aan Mohammed de Koran. In die drie boeken gaat het in essentie om dezelfde boodschap van dezelfde God. Er is immers geen andere God dan God? Maar de meeste joden en christenen erkennen dit niet en vinden niet dat Mohammed diezelfde boodschap heeft gebracht. Als zij weigeren die boodschap te aanvaarden geeft de Koran als reden voor die weigering het feit dat joden en christenen hun eigen boeken niet goed lezen en uitleggen. Joden en christenen zouden met hun eigen boeken geknoeid hebben. Het woord dat voor die beschuldiging gebruikt wordt luidt ‘verdraaiing’ (tahrif), namelijk van de teksten van de Bijbel. Wat bedoelt de Koran daarmee? Soms wordt gezegd dat daarmee bedoeld wordt dat de huidige tekst zoals die voor ons ligt niet meer de eigenlijke Thora/ Tawra en het oorspronkelijke Evangelie/Indjil is. Als die uitleg gevolgd wordt dan wordt het gesprek wel erg moeilijk. Maar de meer algemene islamitische uitleg is dat de Koran daarmee bedoelt, dat er niet met de tekst zelf maar met de uitleg van de tekst werd en wordt geknoeid. Er is natuurlijk niets mis mee met elkaar over die uitleg van teksten te spreken. Zo hebben Joden specifieke vragen aan christenen ten aanzien van hun uitleg en omgekeerd, zo geldt het ook tussen christenen en moslims. Een belangrijke voorwaarde voor een vruchtbaar gesprek is dat moslims de Bijbel serieus nemen als openbarings - boeken van God en dat joden en christenen op hun beurt de Koran ernstig nemen.
Moslims erkennen op grond van de Koran dat Mozes en Jezus grote profeten zijn. Maar hoe zit dat van de zijde van joden en christenen ten opzichte van Mohammed? Meestal wordt ontkend dat hij profeet is. Het is mijn overtuiging dat het cruciaal is dat joden en christenen erkennen dat ook Mohammed in de rij van de profeten thuis hoort.
Soms werd dat in het verleden ook wel gezegd. De beroemde joodse denker Maimonides (1135-1204) is daar een voorbeeld van. Hij werd geboren in Cordoba en stierf in Cairo. Hij leefde en werkte in het Moorse Spanje een tijdlang een toonbeeld van symbiose van joden, christenen en moslims. Hij is beroemd geworden met zijn oorspronkelijk in het Arabsich (!) geschreven boek De gids der verdoolden. In Nederland waar het geestelijke klimaat soms zo lijkt te verwilderen kan Maimonides een belangrijke gids zijn. Hij dacht in zijn tijd en in zijn maatschappij na over de multiculturele samenleving en schreef: 'De Moslems zijn in het geheel geen afgodendienaars en zij verkondigen op juiste wijze de volstrekte eenheid van God'. 'Het gaat het menselijk denken te boven om de plannen van de Schepper te peilen. Want onze wegen zijn niet Zijn wegen, noch onze gedachten Zijn gedachten. Alle zaken die betrekking hebben op Jezus van Nazareth en de Ismaëliet (Mohammed) die na hem kwam diende duidelijk de weg van de koning Messias om de hele wereld voor te bereiden om God eensgezind te aanbidden, zoals geschreven staat: 'Dan zal ik de lippen van de volken rein maken, zij zullen de naam van de Heer aanroepen, ze zullen hem dienen, zij aan zij, Sefanja, 3:9.‘2 Maimonides verwijst hier naar de Bijbel waar de verwachting uitgesproken wordt dat de verwachte messias (masih), een door Godgezalfde betekent dat, als werktuig in Gods hand recht en gerechtigheid op aarde zal brengen.

Kalief of koning?
Waarover kunnen de drie - jood, christen en moslim - dan samen spreken? De Bijbel bestaat volgens de christelijke benaming uit twee delen: het Oude en het Nieuwe Testament. De joden noemen het Oude Testament Tenach. Die afkorting slaat op de drie delen waaruit het boek bestaat: de Thora (de eerste vijf boeken van de Bijbel; de zogenaamde boeken van Mozes), de profeten en de geschriften. Tot het geschriften behoort bijvoorbeeld het boek van de Psalmen. De Koran noemt dit eerste deel van de Bijbel Tawra. Dat woord is uiteraard verwant met Thora, maar omvat meer dan alleen de verwijzing naar de eerste Bijbelboeken, maar ook andere delen van het Oude Testament. Het Nieuwe Testament wordt door moslims Indjil genoemd waarin je gemakkelijk het woord Evangelie kan herkennen.
Wat is nu de boodschap van Abraham tot en met Mohammed met betrekking tot de wereld, de aarde die wij mensen bewonen? In het scheppingsverhaal in de Koran deelt God in de vergadering van de engelen zijn voornemen mee om de mens te scheppen. Hij wil de mens zijn plaatsvervanger, zijn stede-houder, vice-regent (kalief) op aarde maken. De engelen reageren verontwaardigd met: ‘Zult gij daar één instellen die verderf op aarde zal brengen en bloed storten, Koran, 2: 30-39 (28-37). Je kunt moeilijk ontkennen dat de engelen een punt hebben. Maar God antwoordt hen dat Hij weet wat zij niet weten. Je kunt je moeilijk voorstellen dat God niet wist dat de mens bloed zou vergieten op aarde. Toch blijft Hij bij zijn voornemen, heeft fiducie , om zo te zeggen, in zijn project mens en schept de mens, man en vrouw. Maar dan verschijnt Gods tegenstander op het toneel, satan of Iblis , d.w.z. degene die de zaak in het honderd wil gooien. Deze fluistert de mens boze gedachten in en stelt hem in plaats van het plaatsbekleder-schap van God, de heerschappij, het koningschap in het vooruitzicht. Koran 20:120 (118). In het Nieuwe Testament wordt over een dergelijke poging van Satan gesproken om Jezus te verzoeken. ‘De satan voert Jezus naar een zeer hoge berg. Laat hem alle koninkrijken van de wereld in al hun pracht zien en zegt dan: Dit alles zal ik u geven als u voor mij neervalt en mij aanbidt. Maar Jezus weerstaat deze verzoeking: en zegt: “Ga weg, satan! Want er staat geschreven: ‘Aanbid de Heer Uw God, vereer alleen hem” (Mattheus 4: 8-10).
Nu is een ‘koning’ in de Bijbel en de Koran vaak niet een onschuldige vorst die, zeg maar, linten doorknipt of zo. Met koningschap wordt meestal een onrechtvaardig koningschap bedoeld, iemand die onrecht doet, verderf brengt op aarde. De bedoeling van dit verhaal is om duidelijk te maken dat volgens de Bijbel en de Koran Adam, dat wil zeggen elke mens, elcerlic, voor de keuze staat: wat wil hij of zij? Een rechtvaardige plaatsbekleder van God op aarde zijn (kalief), of een onrechtvaardige koning? De profeten van Abraham, Mozes, Jezus en Mohammed komen steeds op dezelfde opdracht aan de mens terug. Zij roepen steeds weer op om te breken met onrecht en weg te trekken uit het land / gebied / stad van het onrecht - Exodus is het woord dat in de Bijbel gebruikt wordt en hidjra het woord dat in de Koran wordt genoemd - en vervolgens op weg te gaan naar het land/ stad, waar gerechtigheid moet worden gedaan.

Bevrijdingsboodschap van de profeten Abraham, Mozes, Jezus en Mohammed
Abraham staat in het tweestromenland (wat nu Irak is) tegenover de onrechtvaardige koning Nimrod, Koran 2:258 (260)). Deze vorst wordt de eerste geweldpleger op aarde genoemd (Genesis 10:8). Abraham moet breken met het onrecht daar wegtrekken uit dat gebied, en op weg gaan daar naar een land, aarde, stad waar gerechtigheid zal worden gedaan.
Voor Mozes in Egypte herhaalt zich de geschiedenis als het ware. Mozes moet breken met het onrecht van de Farao/ Firawn van Egypte, de tirannieke, arrogante heerser, Koran 79:17; vgl. Koran 22:24, 34, die verderf op aarde aanricht, Koran 28:5. Mozes moet met zijn volk wegtrekken, Koran 7:141; 20:80 en op weg gaan naar het beloofde land, waar de verdrukten recht zal worden verschaft, Psalm 146:7.
Jezus staat in zijn tijd in Jeruzalem in Palestina. Israel tegenover koning Herodes. Hij moet ook breken met het onrecht van de stad Jeruzalem en weg-trekken. Als Jezus - in een visioen - Mozes en de profeet Elia ontmoet, spreekt hij met beiden over zijn ‘uittocht’ , Exodus, uit Jeruzalem, Lucas 9: 30,31. Hij moet zo uitredding, bevrijding bewerkstelligen.
De profeet Mohammed moet op zijn beurt breken met de onrechtvaardige leiders van Mekka. Hij volvoert de hidjra, het equivalent van Exodus. Mohammed breekt met de stad van het onrecht en gaat naar een nieuwe stad, Medina (=stad), die de bijnaam ‘lichtstad’ (Medinat al-munawwara) zal krijgen, een stad waar recht zal moeten worden gedaan.

Hoe is de nieuwe land, de aarde en de stad bedoeld?
Wat wil God dat er gebeurt na de bevrijding als de volgelingen van de profeten in het beloofde land, of de nieuwe stad zijn aangekomen? God wil wél doen aan hen die onderdrukt werden in het land (Egypte) en hen in dat beloofde land tot leidslieden maken. Zij zullen het land beërven en hun macht vestigen in het land, Koran 28:5 (4), ‘de onderdruk-ten der aarde’ zullen leidslieden worden, Koran 7:141. Want als zij die Exodus of die hidjra hebben meegemaakt, bevrijd zijn uit de onderdrukking, worden zij aangesteld tot leiders om goed te doen en zich houden aan alle geestelijke en sociale verplichtingen (Koran 21: 73).
Maar hoe gaat het in de praktijk met degenen die Abraham en Mozes uit respectievelijk het Tweestromenland en uit Egypte gevolgd zijn? Wel het kan goed gaan met koningen in het land. Koning David /Da’ud is daar een voorbeeld van. Treffend genoeg wordt hij in de Koran dan ook kalief genoemd! Koran 38:26 Dus je kunt wel ‘koning’ zijn, als je maar koning bent op de manier van kalief, plaatsbekleder Gods, iemand die recht en gerechtigheid doet, zoals God de mens vanaf de schepping heeft bedoeld. Maart werd echt na de bevrijding altijd een rechtvaardige samenleving gevormd? Dat was wel de bedoeling. Maar gebeurde dat ook? Het schokkende is dat het al heel spoedig het in 't beloofde land dezelfde kant opgaat als met onrechtvaardige vorsten zoals de farao van Egypte. Het is voor het verstaan van Bijbel en Koran goed te beseffen dat alle profeten tot en met Mohammed toe zich in de eerste plaats heel kritisch zich opstellen ten opzichte van het eigen volk, tot de eigen gemeenschap. Als heel spoedig na aankomst in het beloofde land wordt tegen het advies van de profeten in om te beginnen met Samuel, 1 Samuel 8; Koran 2:246 (247) gekozen voor een erfelijk koningschap met generaals, militaire experts, belastingen en dwangarbeid. De grote 'vredevorst' Salomo/ Sulayman wordt op zijn beurt zelf een farao! En dat leidt ertoe dat de mensen onmiddellijk na de dood van koning Salomo opgeroepen worden tot een nieuwe bevrijding, een nieuwe Exodus, 1 Koningen 12: 16.
Zo worden de eerste opvolgers van Mohammed kaliefen genoemd en de eerste vier heten 'recht-geleide kaliefen'. Maar dat blijft helaas niet zo. Zeker ook daarna noemen deze leiders zichzelf nog wel kaliefen. Maar zijn het ook kaliefen zoals God bedoeld heeft? Zodra er een nieuw kalifaat ontstaat in Damascus, worden die kaliefen door de gewone mensen als koningen gelabeld en waarom? Omdat hun heerschappij een onrechtvaardige en onderdrukkende heerschappij was geworden!

Actualiteit van de Bijbel en Koran voor alle drie
De profetische boodschap van alle drie boeken blijft actueel voor joden, christenen en moslims. De profeten Abraham, Mozes, Jezus en Mohammed waarschuwen ons dat in het beloofde land, in de beloofde stad mis kan lopen en ook vaak loopt. De beloofde stad kan op haar beurt weer tot een stad van onrecht worden. Jeruzalem kan een Sodom en Gomorra worden! (Jesaja 9:1). Deze steden waar onrecht geschiedde, Genesis 18, 19. De bewoners luisteren niet naar de boodschap van de profeet Lot, Koran 27: 54- 58 (55-59). Daarom werden deze steden door God gestraft en onderste boven gekeerd en bedolven onder een regen van stenen vanwege het kwaad dat zij hebben bedreven, Koran 11:82 (84); 15:74; 29: 34 (33).
Voor alle drie - jood, christen en moslim- gaat het verhaal van het breken met onrecht, de Exodus en de hidjra, het op weg gaan naar het beloofde land, de beloofde stad verder gaat. De oproep tot ‘ hidjra loopt niet te einde totdat de zon opstijgt van de plaats waar hij ondergaat (zegt overlevering, hadith van de profeet Mohammed).3
Voor wie is dan de aarde bestemd? Wie zullen de aarde mogen beërven? ‘De rechtvaardigen zullen de aarde beërven en zij mogen er blijvend wonen,’ zegt de Psalm 37:29. Dat laatste vers haalt Jezus in de bergrede aan: ‘De zachtmoedigen zullen de aarde beërven.’ (Mattheus 5:5 ). Het is treffend dat juist dat vers - een van de weinigen - door de Koran letterlijk wordt aangehaald: ‘ En Wij [God] hebben neergeschreven in de schriftuur [De psalmen] ... dat de aarde zal beërfd worden door mijn rechtschapen dienaren.’ Koran 21: 105.
Moeten niet alle drie jood, christen en moslim zich steeds weer door deze woorden van de profeten uit hun drie boeken blijvend laten aanspreken?

THE ROLE OF RELIGION IN PRESENT-DAY SECULAR SOCIETY?

verschenen in Studies Interreligious Dialalogue

THE ROLE OF RELIGION
IN PRESENT-DAY SECULAR SOCIETY?


Introduction

Is religion in danger of being pushed aside in today's societies? One won¬ders first of all what or who is threatening whom or what? Is it reli¬gion that is in danger or is it rather the opposite: Is religion or are religions a threat to our contemporary society, as some argue at the present time? The two questions are interrelated and I will address them both.

Is religion, in particular the Christian religion, in the West or more partic¬u¬larly in Europe on the way out? And, if so, is this something about which one should be concerned? What does that mean for the norms and values usually associated with those religions? Are they in the process of leaving our planet? Is that a threat or a liberation? On the other hand, if religion is good, what can be done to keep it among us or to revive it?

I will first deal briefly with the question of whether religion is a threat to our societies. This means that I have to bring up the issue of fundamental¬ism(s). Secondly, I will try to tackle the main question: is there a danger that religion will be pushed aside? This is the issue that is usually indicated by the term sec¬ularisation. I would like to deal with the possible causes: is it unwillingness, indifference, ignorance or just lack of imagination? Are these the causes for the danger that religion will be pushed aside in our con¬temporary European culture? Thirdly (this of course suggests and already presupposes that my an¬swer to the second question is in the affirmativeCI do think that there is a problem with the devaluation of religion in our societies) I will address the question what can be done about it. In this context I will consider the extent to which it is possible to communicate about religion in relationship to or in connection with art, literature and music. Fourthly, I will make some final ob¬servations.





Fundamentalism(s)

In Europe and in the West we live in what is usually called a secular soci¬ety. Religious norms and values are receding. On the other hand, in other parts of the world religion, it seems, is undergoing a renaissance. In par¬ticular the rise of Islamic fundamentalism comes to mind, but there are also the fundamental¬isms of other religions (Jewish, Christian and Hindu). Sam¬uel P. Huntington caused a stir with his article AThe Clash of Civilizations@ in the periodical Foreign Affairs in which he predicted that after the fall of the Berlin wall (1989) and the collapse of Communism the coming world con¬flicts would take place between different cultures. In his later book The Clash of Civilizations and the Remaking of the World Order (1996) he elab¬orated his views further. Huntingdon distinguishes eight great civilizations. He sees two of themCthe Confucian civilization (China, and the related civilizations of Vi¬etnam, Korea and the Chinese communities elsewhere in Asia) and Is¬lam as the main rivals of the West. One of the most important problems be¬tween the West and the rest of the world in his view is the discrepancy be¬tween the missionary drive of the West to propagate its own culture and its decreasing success in doing so. In particular, Asian countries and Islamic civilization areCin his opinionCcon¬vinced of the superiority of their own culture.

In other words, is the threat of religion to our society not greater than the danger of religion being pushed aside? It is remarkable that it is precisely the fundamentalists who are raising this issue and it is they who claim that religion is being pushed aside in their societies by the wicked secular forces of Western societies.

It is not my intention to join the fundamentalist camp when dealing with this topic. I do not want to defend a fundamentalistic point of view. On the con¬trary, I see fundamentalism of whatever kind, as aCmaybe even theCthreat to authentic and true religion.

One might wonder how to interpret what is happening today in many coun¬tries with this revival or renaissance of religion. Is there a kind of revanche du sacré, the vengeance of the sacred? Here I am referring in particular to so-called Sacred Violence: the glorification of aggression and destruction. Unfor¬tunately, violence has been a well-known phenomenon in the history of religion Cin all religions. Moreover, religious violence is not something belonging to the past alone: there are too many examples of this in our own day.

Violence can occur in the name of Christianity. A Dutch poet living in the USA stated in an interview that somewhere in the Netherlands he was read¬ing from an edition of his poems called Psalms. During the intermission a smiling gentleman came up to him and asked him if he believed in the ori¬ginal psalms of the Bible. The poet confessed to having a profound dislike for those psalms and the requests they contained for God to destroy the Philis¬tines. The other man's response was to say: ABut they were destroyed, weren't they?@

Violence can be preached in the name of Judaism. In 1994 Baruch Gold¬stein, an American Jew who had only recently moved to Israel, killed sev¬eral Mus¬lims in the Mosque of the Patriarchs in Hebron in the West Bank. In the name of the God of Abraham he did not allow any place for those other children of Abraham, >the friend of God' (as both the Bible and Qur'an refer to him). The Arabic name for Hebron, Khalil, means >friend.'

There are of course Muslim fundamentalists who condone violence. There are those who claim to be of God's party (Hizbollah), his Front of Libera¬tion and Armed Group (FIS and GIA in Algeria) and think that they are waging His (i.e. God's) war (djihâd).

Religious violence is committed in the name of Hinduism. In the name of the God Rama Hindu fundamentalist groups killed Muslims and destroyed the mosque in Ayodhya (India) because Rama is supposed to have been born there.

Already before our Common Age the poet Euripides fulminated against this kind of speaking and acting in the name of God and/or of religion. Greek mythology includes a story about Tantalus (from whose name the words >tan¬talization' and >tantalizing are derived). Tantalus was the beloved of the gods. In his boldness he wanted to put the omniscience of the gods to the test. Just to find out if they really knew everything, he invited them to din¬ner and served them his son Pelops for their meal. All of the gods, except Demeter, saw through his wiles. Euripides writes:
So I consider also untrue
the dinner of Tantalus, and that the gods there
were eating then the flesh of his child.
No. But a people of murderers as one finds here
did ascribe their own cruelty to the gods.
For no god ever did something inhuman.
It is this kind of religion, this fundamentalism, that poses a threat to our societies. I firmly believe, as Anton Houtepen has said, that AIn God there is no violence.@ By stating this, I already have made clear as to what I consider to be authentic religion and what not.

Possible Causes of the Decline of Religion?

How does one talk about the role of religion (or of God) if one does not choose a fundamentalist approach? If we want to deal with true authentic re¬ligion, we come to the question: what are the reasons that religion(s) in our Western and European societies is or are disappearing or at least threatened by secularisation?

One notices today that in the Western world many people have only a mini¬mal knowledge of iconography and symbolism. Many people live in a kind of reli¬gious symbolic vacuum (De Visscher, 1996, 15,17,187) and display symbolic illiteracy. Or perhaps one should speak of a replacement of reli¬gious symbols by secular symbols. A survey of 7,000 people across six countries in the sum¬mer of 1995 showed that the most well-known inter¬na¬tional symbol was the five intertwined circles of the Olympic Games. Of the 7,000 people inter¬viewed 92% recognized the Olympic symbol and 88% the Shell and McDon¬ald's logos. But only 54% correctly identified the Christian cross. Is it simply ignorance or impotence which leads to the fact that ques¬tions concerning God are seldom raised today? Or is it perhaps unwilling¬ness or rather a lack of interest?

In one of his most celebrated paintings Rembrandt painted all that one can read in the nineteenth chapter of the Gospel of Matthew. One sees people draw¬ing nearer to Jesus, particularly the sick, the crippled and the injured; a rich young man (who had just asked Jesus, ATeacher, what must I do to inherit eternal life,@ is now sitting pensively because he does not want to give up all his wealth); a group of scholars are in heated debate on what they are to do with Je¬sus. One can see all that in that one drawing. But then one finds (typical for Rembrandt) a person who is not found in the Gospel story: he is standing there in front with his hands on his back: he is a spectator, he is an observer. He is indifferent; he does not get involved. This person repre¬sents a universal phe¬nomenon: those who do not want to get involved in reli¬gion and religious ques¬tions.

Or is it a case of unwillingness? This is, indeed, again a universal problem. Jesus compares his own contemporaries with children: AYou are like children shouting at each other as they sit in the market place: >We played the pipes for you but you would not dance; we sang dirges, and you would not mourn'@ (Matthew 11:16-19). Jesus tells this parable to make clear to his hearers how they looked at him and at John the Baptist. Jesus was for them a spoilsport, because he kept company with publicans and sinners whereas they wanted him to be strict. But John the Baptist was a preacher of repentance and of fire and brimstone and they did not like him either. They found John to be too much of an ascetic and Jesus to be some¬one who enjoyed food. In their eyes, he was a glutton and drunkard, a friend of tax collectors and sinners (Luke 7:34). In other words, they were not moved by one or the other. Is religion disappearing because there are peo¬ple in our modern agnostic and atheistic culture who just do not want to play?

Someone in the Netherlands recently wrote in a weekly wondering why he was unable to believe. All people, he wrote, believe in a power, a force, or an entity beyond humanity. Why was he unable to believe? Is it something one feels, something one sometimes hears being said? But where? In one's head, stomach, heart? What is that kind of feeling like? Why did he not feel any¬thing, even if he tried? A novelist (Henk van Teylingen) replied with the following suggestion: if you really want to get to know God as He really is, then He gives you all op¬portunities to do that. Just push the button in your mind so that you can turn to a more pleasant program like the Sermon on the Mount or the Bhag¬avadgita.

But it may not always necessarily be unwillingness that makes people give up religion. A great deal of literature illustrates how people became dis¬gusted with the old religious programs presented by churches, mosques and synagogues. Ignorance, indifference or unwillingness may not be the only reasons for the decline of religion: it may sometimes be sheer superficiality. There is a story of a German professor in the eighteenth century who spent only one day in Leiden (the Netherlands) where he had been appointed to a university chair. The next day this Romantic offered his resignation Abe¬cause he could not en¬tertain any (higher) mythological notions in such a flat country.@

A century ago the painter Vincent van Gogh wrote in his letters: AFor, look, people used to think that the earth was flat. That is true today for the road from Paris to Asnières, for example. Yet science shows that the earth is round, which no one denies today. Despite that, people today think that life is flat and runs from birth to death. But life is probably round and, as far as its extent and possibilities are concerned, much greater than the hem¬isphere that we know today@ (Letter nr. 635 (to Emile Bernard B8)).

If these are the causes of religion's decline, what can be done to stop this decline? This is a question which any minister, rabbi or imam can ask.




Possible Solutions

In the last century the French writer Victor Hugo stated, AReligion disap¬pears, but God remains.@ If this was true then, is it still true today? Very long books have been published lately about The History of God (Karen Arm¬strong) or The Biography of God (Jack Miles). Miles called his book Aa topper.@ Can one speak again about Him or Her in today's secular world? How should one then speak of what Martin Buber once called Athe most soiled of all human words,@ i.e. >God'?

The reason, perhaps, is that in our secular Western culture we cannot avoid raising the three basic human questions which remain of crucial im¬portance for all of us: the quest for God, the fact of death, and the question of the meaning and purpose of life. If one wants to speak on this subject to¬day, one needs to remove a great deal of dust and dirt in order to see clear¬ly. Jack Miles, the author of The Biography of God, sees himself as some¬one who is cleaning the soiled stained-glass windows of the cathedral so that the sun can shine through again to illuminate the treasures hidden within.

But if one is able to overcome all those barriers of the lack of knowledge, in¬difference and unwillingness concerning the religious message, what con¬tri¬bu¬tion can one give in order to make the religious message (including, for a Christian, the Gospel message) more comprehensible and imaginable in our contemporary world? What can be done about the decline of religion? Is there any way of overcoming this threat?

Myth
Can we learn from the history of the (early) Christianization of EuropeCthe most important religion with which Europe was confrontedC(How the West was Won, so to speak) and draw lessons from that history in order to con¬front the de-Christianization of Europe today? In this context I want to say some¬thing briefly about the significance of myth and how in the past the re¬ligious mes¬sage was related to the myths and stories of Europe and how it could be done today in order to overcome the threat of the disappearance of religion in our societies.

In our (Western) languages the meaning of the term myth has become am¬biv¬a¬lent. On the one hand, a myth is considered to be a story that is not true; on the other, it is viewed as a story with an ideology. Remaining aware of the dangers and the necessity of deconstructing false myths in our own time and culture as well, I would nonetheless like to plead for the signifi¬cance of myths in a positive way in order to overcome the threat of the decline of religion.

Mythical thinking is spontaneous, imaginative, and creative; while scientific thinking is systematic, rigorous and logical (Brockway, 1993, 6). One of the (four) functions of myths mentioned by Joseph Campbell is pedagogical: myths can teach one how to live a human life under whatever circum¬stances (Camp¬bell, 1988, 39). The plot of a story is an invitation to partic¬ipate in a fund¬amental discussion about one's own life. It belongs to the na¬ture of a plot that it is always told against the background of a greater story. Telling is building the community. To tell the story (rites) is a build¬ing stone for the continuation of the community of story-telling in other and new situations. Each story con¬veys norms and values which the narrator finds important for the continuation of the community for the sake of the children; each story recreates the com¬munity. Of course, for the most part biblical stories still form the >mytho¬logical universe' of Western civilisa¬tion (Stolk, 1996, passim).

The first, negative, meaning of myth (a story which is not true) remains the most prominent view of myth in these days. In the twentieth century the ani¬mosity toward myth in the second sense, as a story with a message, is growing as well. Allow me to illustrate this from my own history. At the beginning of 1995 I happened to read a book on Celtic myths that cited an the view that for some people >myths' are Ahighly poetical talk about the weather@ (Loomis, 1993, 39). What struck me when I read it was that at the time Holland was threatened by the floods from its major rivers. Something similar but even more serious happened forty years earlierCin 1953. Interestingly enough, how¬ever a considerable shift has occurred dur¬ing these last forty years in the response to such an event. If the flood of February 1953 had been seen by many in the Netherlands as an instance of divine providence, the flooding of the rivers and the danger that the dikes would break in 1995 were interpreted in a completely secular way: now it was the governments in the Hague and Bonn which were responsible. My point is: is it not possible that those myths deal with something more pro¬found than only the weather?

This prevalent modern negative approach to myth seems to have been char¬ac¬teristic for the Church of the early period in Europe. Myths were seen as >pa¬gan'. The Church responded more to philosophy and made use of it as an instrument to defend and present her faith. With gratitude the Church used the criticism of the ancient Greek philosophers against Greco-Roman myth¬ology for their own purposes. In recent decades the one-sidedness of this negative approach and its implicit dangers have been studied. The German theologian and psychoanalyst Eugen Drewermann, for instance, has referred to the nega¬tive aspects of the demythologisation approach with regard to the communica¬tion of the real content of the Gospel (1986, 127). He even goes so far as to say that the psychological consequences are that this ap¬proach created the conditions for rejecting the Gospel story/myth today (Drewermann, 1984, 277-78). Already at the beginning of the Enlighten¬ment, this one-sided placing of reason in the forefront was resisted by the theologian Johan Georg Hamann (1730-1788) (cf. D. Sölle, 1994, 147).

This animosity towards myths and mythology in the early Church was sig¬ni¬fi¬cant. But that is not the full story. In many ways the early Church did use the myths and stories of her time. It exploited those myths as vehi¬cle, as instru¬ments for the transmission of its message.

One can provide numerous examples of how the church used the myths and stories in Europe related to Holy Times, Holy Places and Holy Persons to con¬vey its message. Christmas was connected with the festival of the in¬vincible sun on the 25th of December and the name Easter is taken from the spring goddess Ostara. Many churches were built on pre-Christian Holy places: the cathedral of Chartres is built on the site of a Celtic religious centre. Mary, the mother of Jesus, replaced Juno, Venus, and other god¬desses; the Holy Saint Birgit replaced the goddess of the same name.

However, one can ask if this is relevant today? One could perhaps ask why people at that time had such need of holy places, holy times and holy per¬sons? Is that still true today? Is this need felt less todayCat least in the Western worldCthan in the past? In my opinion, these examples of the past show that throughout the centuries right up until the present all people are in need of holy places, mountains, rivers, even if that >holy place' is a certain corner in one's own house. For spiritual survival, we need to set aside certain times (during the day) and to look to exemplary figures in or¬der to be able to contin¬ue our pilgrimage through life.

To answer the question as to what can be done about the threat of con¬tinued religious decline, my next point concerns how one can learn from these kinds of examples in order to relate to our contemporary culture? I would now like to discuss this relation to literature, art and music. A poet and scholar (the late Jan Willem Schulte Nordholt) stated in his last lecture (AAbout God and Me@) that, when he wanted to know who God was, he did not look to theo¬logy. He did not penetrate into the secrets of existence by means of philosophy but by means of poetry (Nordholt, 1989; cited in Van de Loo, 1996, 148). In theo¬logy (the theology of Karl Barth) he did not find any room for imagina¬tion.

Literature
It is often said that we live in a time when the grand narratives, in the sense of systems which could given us a kind of overall answers to all kinds of ques¬tions about life and death, have ended. In what way did the church make the link with literature and how can we relate the Story to today's myths and stor¬ies?

Every mythology, however traditional it may be, is changed by the alchemy of a writer. The true writer is always somebody who changes myths or in¬vents them (Steiner, 1992, 237). Franz Kafka once said, AA book must be like an axe to break the ice of the soul@ (cf. Sölle, 1994, 138). What George Steiner said about Sophocles in his Antigones is true for any im¬portant great piece of art: this ancient tragedian deals with the eternal themes of conflicts between the divine and human law, between the indi¬vi¬dual conscience and the public de¬mands, between old and young, between woman and man, etc. (quoted in Steiner, 1991, 16; cf. Steiner, 1984).

Literature is very important for the church in many ways: AOne can learn more theology from creative writers than from the study of religion@ (Brock¬way, 1993, 100). Modern people look in such books for what they found in the past in Athe dusky vaults of the churches directe upwards. He does not kneel down any more, he reads the riddle of his existence, of his unsought ex¬istence@ (K.H. Miskotte, quoted in Borgman, 1994, 117).

Many biblical stories are or could be mirrored in contemporary literature (cf. e.g. Gilhuis, 1990). Different examples could be given to illustrate how the connection between Gospel and literature could be madeCnot as two op¬posed entities, i.e. not Gospel or literature but Gospel and literature and perhaps sometimes literature as Gospel. For example, novels like Joseph Conrad's The Heart of Darkness, Thomas Mann's Mountain of Purification and James Joyce's Ulysses are often quoted as modern literary examples of the quest.

The most important myths in the work and personal life of the Russian writers Tolstoy and Dos¬toyevsky were, according to George Steiner, reli¬gious. Throughout their lives, both writers wrestled like Jacob with the angel and de¬manded that this angel reveal a coherent myth about God and a verifiable story about God's role in human destiny. Tolstoy and Dostoyev¬sky were reli¬gious artists in the same sense that the builders of the cathe¬drals were or Mi¬chelangelo was when he painted the image of the eternal on the ceiling of the Sistine Chap¬el. These artists were possessed by the idea of God and trav¬elled throughout their lives (like Paul) on the road to Da¬mascus (Steiner, 1992, 243). In Dostoyevsky's The Brothers Karamazov, one brother, Ivan (the athe¬ist), mainly talks, whereas (the Christian) Al¬yosha acts. Dostoyevsky was con¬vinced that in the last analysis rational arguments were powerless in theo¬logical questions: AAlyosha therefore does not reason with Ivan, Zossima with the old Karamazov nor Christ with the Grand Inquisitor, but they re¬spond again and again with acts of love. Not arguments are advanced against each other but ways of existence@ (Küng and Jens, 1986, 225, 229). An important aspect of Dostoyevsky's fiction was to explain the New Testament (Steiner, 1992, 292).

James Joyce carried the visions of his home and the emotion of his earlier faith of his native Dublin everywhere with him. He called his short stories and sketches published under the title Dubliners >epiphanies', using this religious term for the appearance of a divine being to refer to the mani¬festation of sud¬den insight into life given to an artist. He continuously looked for myths that transcended time and were part of the life of people everywhere. APeople in general not people in particular are Joyce's sub¬ject.@ In his Ulysses Leopold Bloom is a Dublin Jew, but he is also the wandering Jew and Stephen Dedalus, the Dublin poet, acts out the eternal search of fathers and sons to find one another (cf. article on Joyce in Brown, 1956, 239).
Stephen is the image of Lucifer, an outcast out of his own free will and irreconcilable until his last gasp. Bloom is Christ (or as the book says an other, a >stranger') .... The pil¬grimage of Joyce, his effort to build an ecclesia for civilization ... ended partly, ac¬cording to Steiner, in frustration. (R.P. Blackmur, quoted by Steiner, 1992, 319).
One can refer to similar examples among Jewish writers such as the American Jewish writer Chaim Potok. Arabic literature provides us with Mus¬lim ex¬am¬ples. The Egyptian writer Naguib Mahfuz, the 1988 Nobel Prize winner, is a case in point. In their own way, all of them are examples of writers who deal with ultimate questions: the meaning of life, and death and the quest for God.

Religion and Art: The Example of Vincent van Gogh
My second example is taken from art. Vincent van Gogh is often seen as someone who was an evangelist and pastor for a short time but abandoned his re¬ligion. He is an early example of what happened to so many Christians in the twentieth century.

Did he break with his Christian faith, as is often suggested? Is there a dis¬continuity between the first >active' part of his life (1870-1880) and the second (1880-1890)? Did he start to hate and despise the God of Scripture and of the pastors and did he turn to the God of nature? Did he want to establish a new community (cf. the ecclesia of Joyce) Athe yellow house@ under a new God, the sun of the Midi (southern France) (Kodera, 1988, 163)? Did the >sun' take the place of Christ? Did father Millet (the painter) and father Jules Michelet (the writer) come to replace his own father the pastor? Does literature (French literature, for example) replace the Bible? Does art replace religion or did art even become his religion?

I would like to defend the thesis that Vincent van Gogh, who began as an evangelist in his youth, remained one as a artist and painter. He did not give up his Christian faith, although it did change. In my view, these questions are false dilemmas. As an evangelist and as a painter Van Gogh wanted to comfort people. Like Jesus, he was moved by the weary, the poor, the downtrodden and oppressed people living in >Hard Times', as Char¬les Dickens termed the situation of people in nineteenth-century England.

One of the examples with which I wish to >prove' my point is his painting Still Life with Open Bible. In this painting one sees a large >dark' copy of the Bible, an extinguished candle and, in the foreground, a shining yellow copy of Zola's La Joy de Vivre (The Joy of Living) with the title clearly legible. Some claim that here the dark Bible has been done away with, the light extinguished and replaced by the yellow light of literature that brings the joy of living: not the Bible but literature. This interpretation of this painting is wrong. The Bible is his father's, who had just passed away a few weeks previously. The exting¬uished candle refers to the extinguished life of his father and does not refer to the Bible at all.

We know that Van Gogh was very well acquainted with the content of the Bi¬ble. In his youth he was an ardent reader of the Bible and in later life as a painter he continued to speak appreciatively of it. In this painting the Bi¬ble lies open at Isaiah 53Cone of the so-called ASongs of the Suffering Ser¬vant.@ It is completely impossible and unthinkable that Van Gogh intended to play down the significance of this passage. Several times in his letters to his brother Theo he refers to this passage. It is striking that during his stay in the Hague, where he took care of Sien, as she is called, a prostitute with her child, he depicts her in her naked misery. The English title for this sketch is Sorrow. Can one not say that he intended to depict her as >a Wo¬man of Sorrows'?

Then, next to the Bible is Zola's Joie de Vivre. To suggest that this book re¬places the Bible is incorrect. On the contrary, Van Gogh uses Zola to in¬terpret the Bible. In one of his letters to Theo (nr. 161) in which he speaks of the authors Jules Michelet, Harriet Elizabeth Beecher Stowe, Thomas Carlyle and George Eliot, he writes that the Bible remains forever. Those authors, like many others, are not saying that the Gospel is not of any value any more but showing how it can be applied in our time. Six years later (1887) he tells his sister to read works by Guy de Maupassant, Francois Ra¬belais, Henri Roche¬fort, Voltaire's Candide, books by the brothers Edmund L.A.H. and Jules A. de Goncourts (Germinie Lacerteux and La Fille Eliza), Zola's L'assommoir and Joie de Vivre and those by Jean Richepin, Alphonse Daudet and Joris-Karl Huysmans. He continues: AIs the Bible not enough for us? In these days I believe that Jesus himself would say to those who sit down in melancholy. It is not here, get up and go. Why are you looking for the living among the dead?@ (cf. Edwards, 1989, 51).

Still Life with Open Bible affirms that significant novels express the truths of the Bible to a contemporary audience (Edwards, 1989, 49). In one of the fig¬ures in Zola's novel (Pauline Quenu), Van Gogh sees an incarnation, like the Suffering Servant, of renunciation, sacrifice, and charity. ABut it was fitting that Zola expressed the Servant mission for a new age in the form of a new age@ (Edwards, 1989, 50).

The Role of Music in Religion
The ancient Greeks ascribed to music magic and therapeutic powers. It could heal wounds and it could move blocks of stone: the singing of Amphion (cf. the role of Orpheus), son of Zeus, was said to have enchanted stones to build the walls of Thebes of their own ac¬cord. The historical figure Thaletas of Gortyn (seventh century BCE) tried to drive the plague from Sparta by singing (Eliade, 1995, 205).

In what way did the church relate to music in the past and how could it be done today? Music is a means of expressing feelings more accurately than the word (F. Mendelsohn).

The revelation of God on Mount Sinai was accompanied by music: AOn the morn¬ing of the third day there were thunders and lightnings, and a thick cloud upon the mountains, and a very loud trumpet blast, so that all the people who were in the camp trembled@ (Exodus 19:16). The walls of Jeri¬cho fell through a liturgical, musical conquest (Joshua 6). The prophet Elisha was also prophetically inspired by music: ANow bring me someone who can play the lyre and as the musician played, the hand of Yahweh came on him@ (2 Kings 3:15). King Saul's evil spirits were exor¬cised by the music of the young shep¬herd David on the cither (1 Samuel 16:23).

Early Christian gatherings were sober affairs, but very early psalmody was in¬troduced into the Church through the inspiration of its use in the synagogue. Ambrose (339-397), the Christian bishop of Milan, introduced hymns (Koenot, 1996, 195). Augustine (354-430) was in favour of music (Koenot, 1996, 196). The Western church witnessed the development of Gregorian music (Mudde, 1959, 225). Hildegard von Bingen (1098-1179), who founded religious com¬muni¬ties, also composed music and wrote liturgical songs. She saw herself as an instrument of the divine Spirit, Athe sound of the trumpet of the living light@ (Marjolein De Vos, 11 October, 1996 in NRC). She drew much inspira¬tion from The Song of Songs. Psalms and hymns, according to her, remind us of the bliss of the uncor¬rupted state at the beginning of creation and make us receptive to the pres¬ence of God. For her, there was a connection between word and the human¬ity of Jesus, while music was related to the spiritual and harmonic unity of the divine Trinity (Koenot, 1996, 198). Martin Luther saw music as a gift and a servant of God as a work of the Holy Spirit and therefore an essential element in worship and preaching.

One could refer in this context to the importance and use of the organ in the Church. Once used in the secular market place, it became an instrument for church services. Certain secular tunes were Alifted up to a new level@ at the time of the Reformation. Charles Wesley the brother of John Wesley, the founder of Methodism in Great Britain (or perhaps it was William Booth the founder of the Salvation Army) is quoted as having said: AWhy should only the devil have good music?@ AMoody and Sankey Favorites@ were very pop¬u¬lar: about a hundred years ago a clown in a circus in London mocked these songs, at which the audience began to sing them one after the other until the clown was forced to leave the ring.

The Role of Pop Music
In our society pop music is very important to young and even to not so young people. Those who do not feel completely at home on this earth, unable to set¬tle anywhere but always on pilgrimage find solace in a song. Music brings life to a mortal existence. Many talk of the wholesome work of music. Pen¬e¬tration, participation and transcendence occur in music through the miracle of hearing. The ear makes another reality possible: the other reality of music Aenters, penetrates in my inner being and I become a citizen of the space of music.@ Pop artists are situated in the middle of the mystery of life, wrestle with it and seek to confront the dark deadly forces in their search for real life. The rock fan does not sit down lazily, for the music makes him get up, rise and go out into the adventure of life. Such music invites to confront our feel¬ings, our own love (or weariness) of life, our own disappointments, our pain. The best music includes both devasta¬tion and reconstruction. The stories of Joshua from the Bible and Amphion from Greek mythology illustrate these functions. In the story of Joshua and the conquest of Jericho the walls tumble down at the sound of the trumpets (Joshua 6). Amphion needed only to play the magic flute to have the stones move together to build a wall around him. Rock music unites these two functions: Joshua and Amphion at the same time. This happens in any con¬cert: by the passion of the trumpeters of Jericho the old environment is torn down and by the magic of Amphion the new wall is built. Musicians do with sound what painters do with images (cf. Koenot, 1996).


Final Remarks

Is it possible in this attempt to relate Gospel and Culture (through literature, art, music) to single out criteria for what is or what is not acceptable when overcoming the threat of the continued decline religion or when trying to re¬vive it? From where does one derive the criteria for deciding whether some¬thing is authentic, true religion? When are myths true and when are they false? How can one relate the myths or stories from the Bible to the stories of human kind today?

One has to be conscious of the ambivalence of each culture, including Eur¬o¬pean and Western culture. Myths and stories can become merely emp¬ty, shal¬low stories. They can also become dangerous idols and ideologies. Do we un¬derstand what we read? Do we understand what we see? In both cases we need an interpreter. How does one deal with and think about >Religion and Culture' with respect to literature, art and music.

Literature
The Church father Jerome (d.420) can be quoted as an ex¬am¬ple of how the Church wrestled with the question how to relate the Gospel to cultureCin his case to classical profane culture. He was, of course, known as the translator of the Bible into Latin, the Vulgate. He was a pupil of a famous Roman gram¬marian (Donatus), who was the author of an extensive com¬mentary on litera¬ture, especially Virgil and Terentius, the comic writer. In his turn, Jerome became the interpreter of the Bible. According to him, it was possible to build a bridge between profane erudition and the Gospel. Not everything should be rejected and elements of the Graeco-Roman cult¬ure can be taken and used in the spread and deepening of the Christian faith. Did not, Jerome argued, Paul also make use of classical authors (he had several direct quotations from pro¬fane literature)? In order to explain the way in which he made use of classical literature he used the image of bees which take honey from some flowers and fly past others: when the Jews left Egypt they robbed gold and silver from the Egyptians and melted it to make vessels for worship. Jerome follows a fixed profane scheme. Profane examples and authoritative statements precede the biblical and Christian ones. In his use of arguments he uses a certain measure. He uses the examples but the main point remain the Christian examples. Je¬rome does, however, contrast the eloquentia (eloquence of pagan literature) and veritas (the truth of the Christian faith): AWe are pupils of the piscatores (fisherman) not of the oratores@ (Bartelink, 1995, 100-02, 104-06). But Chris¬tians who had had some education were to a certain extent bored by the fisher¬man's language (sermo piscatorius) of the Bible (Praet, 1995, 111).

The tension Jerome felt between profane and Christian literature was char¬ac¬teristic of his life. His life became dominated by a dream in which he saw himself standing before the throne of Christ where he was reproached for hav¬ing been more Ciceronian than Christian: Ciceronianus es, non Chris¬tianus. He then took an oath not to read any more profane writers. He kept this vow for the rest of his life (Bartelink, 1995, 100).

The Example of Art: Image Culture and the Religious Message
In the West a wall was constructed between word and image, whereby a paint¬er like Van Gogh is disqualified as a theological source. AThe Western pre¬judice in favor of >God as Word' has probably led to the avoidance of one that took seriously >God as Image'@(Edwards, 1995, 189). In art and literature but also again and again in ordinary life, as Jesus did in his parables, one can find imaginative stories and suggestive images.

An example of such a contemporary story is the following. On Friday, 26 April 1996, the explosion of the nuclear reactor in Chernobyl ten years before was commemorated. On television I saw an impressive interview with one of the survivors. He was shown with his wounds which required daily care. Only with the help of a drive in Germany to raise funds for exorbitantly expensive medicine was he kept alive. What he told about the events of the day of the ex¬plosion was moving. He was off-duty when it oc¬curred. He could have stayed away but without any protective clothing he had entered the plant in order to save his friends. He found a wounded and dying friend and carried him on his shoulders out of the nuclear reactor. The deadly radiation entered his body through the points where the body of his friend rested on his own body. One can ask if this not a modern, new and authentic story, an iconCa modern myth Cin which one hears/sees what real service to GodCwhich is al¬ways at the same time service to fellow human beingsCmeans? AThere is no greater love than this, that one lay down his life for his friends@ (John 15:13).

In a television program about Jesus and images of him today, the title song constantly repeated the phrase, Adescription unknown.@ But is he really un¬known? Or is it indifference, lack of interest, unwillingness which make one want to get rid of this telling example? Any child could see the face of the victim of Chernobyl lighting up. Does not the world continue existing because of people like him?

Culture, including modern European culture, is ambivalent. One should be careful in claiming to know what is authentic and inauthentic in religion. Some modern myths are false and one has to combat them. There are nega¬tive myths. One has to be critical of the image culture (the >coverage' of the sec¬ond Gulf War by the media in 1991 is a case in point). And this culture has its own victims.

In the 1930's K.H. Miskotte comparedCand rightly soCin his Edda en Thora (a comparison between the German and Israelite religion) the revived German paganism and the Gospel (1939). Alfred Rosenberg's The Myths of the Twen¬tieth Century has been called the reverse of Edda en Thora (Wil¬lem van der Meiden quoted in: Van Troostwk et al., 1994, 58).

Music
Examples were given how the church in the past related to music. Yet it is also well-known how the Nazis usedCor rather misusedCmusic, as de¬scribed in Günter Grass's novel Blechtrommel. The wordless myth of music can in our culture after the word (Steiner) and without myths also express spiritual longing, consolation and inspiration (Koenot, 1996, 170). This also reminds me of a pop song by the group Oasis that expresses indestruct¬ible hope. In this song one hears the protest against the inner and outside powers that make that young people let the dreams they had be washed away by the gods of this cen¬tury, particularly love of money.

As a child, according to this song, someone wanted to become a spaceman, but this dream was taken away and the person was compensated for the loss of these dreams with money. But the pop song ends by making clear that it is yet not too late to become a spaceman:
It's funny how your dreams change as you're growing old
You don't wanna be no spaceman, you just wanted gold,
All the dream-stealers are lying awake.

But if you wanna be a spaceman
It's still not too late.
When there is no hope any more, the world becomes a hell. According to Dante in his Divine Comedy there are people in hell who cannot use verbs in the future tense any more: AOne can speak of eternal damnation when we are not able to use the grammar of the future any more, that is the grammar of hope@ (Steiner, 1991, 46). But why should we not, if we have lost that gram¬mar, be able to learn that grammar of hope anew and thus overcome the dan¬ger that God, i.e. true humanity, is disappearing from our society?


Anton Wessels 1998
LITERATURE

Bartelink, G. (1995). AEvangelie en profane literatuur in de brieven van Hiërony¬mus.@ In: Bert Hoedemaker (ed.). Evangelie en beschaving. Studies b het af¬scheid van Hans Roldanus. Zoetermeer: Boekencentrum.
Borgman, Erik. (1994). Alexamenos aanbidt zn God. Theologische essays voor sceptische lezers. Zoetermeer: De Horstink.
Brockway, Robert W. (1993). Myth from the Ice Age to Mickey Mouse. New York: State of the University of New York Press.
Brown, Colin S. (ed.). (1956). The Reader's Companion to World Literature. Mentor.
Campbell, J. (1988). The Power of Myth. New York/London.
De Visscher, Jacques. (1996). Een te voltooien leven. Over de rituelen van de moderne mens. Kampen: Peckmans Kok Agora.
Drewermann, Eugen. (1984). Der Krieg und das Christentum. 2nd edition. Regens¬burg
(1986). Tiefenspsychologie und Exegese. Volume II: Die Wahrheit der Werke und der Worte, Wunder, Vision, Weissaguing, Apokalypse, Geschichte, Gleich¬nis. Olten und Freiburg.
Edwards, Cliff. (1989). Van Gogh and God: A Creative Spiritual Quest. Chicago: Loyola University Press.
Eliade, M. (ed.). (1995). The Encyclopedia of Religion. New York.
Gilhuis, T.M. (1990). Nu dan, luister. Bbelse verhalen nieuw gehoord. Kampen: J.H. Kok.
Hoedemaker, Bert (ed). (1995). Evangelie en beschaving. Studies b het af¬scheid van Hans Roldanus. Zoetermeer: Boekencentrum.
Kodera, Tsokasa. (1988). Vincent van Gogh: Christinanity versus Nature. Disserta¬tion, University of Amsterdam. Amsterdam.
Koenot, Jan. (1996). Voorb de woorden. Essays over rock, cultuur en religie. Baarn: Averbode, Ten Have.
Küng, Hans, and Walter Jens. (1986). Wereldliteratuur en religie. Pascal, Gryphius, Lessing, Hölderin, Novalis, Kierkegaard, Dostojewski, Kafka. Hilversum: Gooi en Sticht.
Loomis, Roger Sherman. (1993). Celtic Myth and Arthurian Romance. London: Con¬stable.
Miskotte, K.H. (1939). Edda en Thora. Een vergelking van germaansche en Is¬raëlitische religie. Nkerk: Callenbach.
Mudde, W. AKerkmuziek.@ (1959). In: F.W. Grosheide and G. P. von Itterzon (ed.). Christelke Encyclopedie. 2nd. ed. Kampen: Kok.
Nordholt, J.W. Schulte. (1989). Verzamelende gedichten. Baarn: De Prom.
Praet, Danny. (1995). De God der Goden. De christianisering van het romeinse rk. Kapellen/Kampen: Kok Agora.
Sölle, D. (1994). Opwellingen van moed. Aanzet tot een andere manier van denken. Baarn.
Steiner, G. (1984). Antigiones. The Antigone Myth in Western Literature, Art and Thought. Oxford: Oxford University Press.
(1991). Heeft waardheid een toekomst? Essays. Baarn: Ambo.
(1992). Tolstoj of Dostojevski. Een oefening in de oude kritiek. Amsterdam: Bert Bakker.
Stolk, H. (1996). Verhalen, vertellen. Baarn: G.F. Callenbach.
Wessels, A. (1990). Een soort bbel. Vincent van Gogh als evangelist. Baarn: Ten Have.
(1994). Europe: Was it Ever Really Christian? London: SCM Press.
(1996). Secularized Europe: Who Will Carry Off Its Soul. Geneva: WCC Pub¬li¬ca¬tions.
Van de Loo, E.L.H.M. et al. (1996). Kunst van geloven. Baarn: Ambo.
Van Troostwk, C.D. et al. (eds). (1994). >W willen het heidendom eeren'. Miskotte in de >nieuwe td'. Baarn: Ten Have.