dinsdag 19 februari 2013

Agenda 2013







The Torah, the Gospel, and the Qur'an
Three Books, Two Cities, One Tale

Anton Wessels
PAPERBACK; Coming Soon: 9/30/2013
ISBN: 978-0-8028-6908-1

Available for Backorder

Price: $ 28.00

DESCRIPTION
A well-thought-out Christian plea for interreligious unity

Discussing the Bible and the Qur'an in one breath will surprise some Jews, Christians, and Muslims. But Anton Wessels argues that all three traditions must read the Scriptures together and not against each other. As his book title suggests, the three books, in the end, are actually one tale.

Wessels accepts Muhammad as a prophet and takes the Qur'an seriously as Holy Scripture along with the Old and New Testaments -- without giving up his own Christian convictions. Respectfully reading the Torah, the Gospel, and the Qur'an together, he argues, is of crucial importance: our world often sees these religious books as the cause of conflicts rather than the solution to them.

 Van Gogh and the Art of Living
The Gospel According to Vincent van Gogh


Vincent Van Gogh believed that one had to learn to read, just as one had to learn to see and learn to live. Van Gogh conveyed a message in his work about the path that he himself followed that was “more true to life,” the path that human beings walk in their turbulent existence, the pilgrimage along the various stages of the road of life. He does not speak about the meaning of life but about the true art of living. It is fascinating to see and read the moving way in which he wrestled with the deep human questions of the whence, why, and whither of life. He did not see himself doing this on his own but acknowledged kindred spirits and allies in preachers, preacher-poets, painters, writers, and other artists who also attempted to find their own way through life in a similar fashion.
Van Gogh was aware, like no other, of his duty and task in life: his vocation as human being and artist. That means that he was well acquainted with lone- liness, fear, and despair, including suicidal tendencies. Nevertheless, he understood himself as cut out for faith, rather than resignation. Human beings follow their life’s path, through storms and dangers, on land and on sea, where the “star of the sea” (the Virgin Mary) helps them and provides light. Van Gogh rejected the unhealthy, sickly forms of religion, electing instead to embrace authentic forms of piety.

 WIPF and STOCK Publishers
Eugenen, Oregon
ISBN 978-1-62564-109-0
cover design: C. Amondson
Van Gogh and the Art of Living    Amton Wessels
± 23 Dollar

zondag 27 november 2011

dinsdag 29 maart 2011


Twee recensies van:

Thora, Evangelie en Koran. Drie boeken, twee steden, een verhaal

Kok, Kampen 2010 - € 27,50


Rood Koper Januari/februari 2011:


Ongekend oecumenisch


In zijn meeslepende (zij het wat slordig geredigeerde) boek wil Anton Wessels laten zien dat wij in Thora, Evangelie en Koran met één verhaal van doen hebben. Het verhaal van de hidjra, de uittocht uit een verkeerde wereld op weg naar de komende stad waar liefde en recht zullen heersen.

Het boek is uitgelokt door het kwade gerucht dat godsdienst per definitie gewelddadig zou zijn. Of preciezer: dat in elk geval de islam dat is, zie de islamisten en hun djihad tegen het vrijgevochten Westen. Maar de islam dan toch weer als representatief voor wat ook de andere monotheïstische religies (jodendom, christendom) bezielt: hun eigen absolute waarheid koste wat kost te doen zegevieren.

Wessels stelt de vraag of het geoorloofd is ‘de drie boeken (Thora, Evangelie, Koran) zo te lezen en te gebruiken’, als gericht op de eindzege waarin de vijand het loodje gelegd heeft (185). Zijn antwoord is een krachtig nee. Niet zo’n verwoestende ‘Endlösung’ vormt het perspectief, maar de ene umma muslima, de ene gemeente van moslims, die de eenkennigheid van joden, christenen én moslims (in sociologische zin) overstijgt (71). Dit pleidooi voor zo’n brede oecumene is, nu de islam in onze contreien tot vijand verklaard wordt of op z’n minst sterk wordt gewantrouwd, in de eerste plaats een apologie van die islam tegenover zijn verachters. En de grote verrassing van het boek is dat juist de Koran het bij uitstek oecumenische boek blijkt. Daarin wordt van de gemeenschappelijke stamvader, Abraham, expliciet, zonder mitsen en maren gezegd: ‘Abraham was geen jood, noch een christen, maar een aanhanger van de ware godsdienst, monotheïst, hanif (een waarachtig gelovige), en een moslim’ (67). En met ‘moslim’ wordt in dit geval niet een aanhanger van de specifieke godsdienst islam bedoeld, alsof die de ware godsdienst zijn zou, maar de gelovige in algemene zin – ook de moslim is niet bij voorbaat met déze moslim identiek.

Deze oecumenische strekking lijkt te worden weersproken door ‘het verhaal van de twee steden’ dat in alle drie heilige boeken te vinden is. In de Thora en het Evangelie gaat het over Jeruzalem en Babel (Rome), in de Koran over Mekka en Medina. Beide steden staan tegenover elkaar als het recht tegenover het onrecht, de waarheid tegenover de leugen. In zoverre onderscheiden deze verhalen zich niet van het verhaal van twee steden dat wij ook buiten deze drie boeken tegenkomen: Sparta tegen Troje, Athene tegen Persepolis, Rome tegen Carthago. Ook in dat verhaal figureert de ander als de vijand, de belichaming van het kwaad. De agressieve logica van dit verhaal heeft ook de monotheïstische religies niet onberoerd gelaten. Zo verklaarden christendom en islam elkaar de heilige oorlog waarin de overwinning van de een de ondergang van de ander betekende. Ja, ook de heilige boeken zelf zijn van deze agressieve logica niet vrij. Wessels wijst op de profeet Elia die de strijd voor Jahve, de ware God, beslecht met afslachten van de Baäl-priesters. Dat Elia vervolgens vlucht en Jahve vindt in ‘de stem van een zachte stilte’ leest Wessels als een impliciete kritiek op dit teugelloze geweld (63v.).

Maar de werkelijke betekenis van het verhaal van de twee steden in Thora, Evangelie en Koran blijkt een andere te zijn. Het gaat om de verhouding tussen de reëel bestaande stad (het historische Jeruzalem) en de komende (het nieuwe Jeruzalem). Dat nieuwe Jeruzalem staat niet tegenover het historische Jeruzalem als de ene politieke macht tegenover een andere; het is er het kritische perspectief van. En hoe oecumenisch dat perspectief is geconcipieerd, blijkt volgens Wessels daaruit dat voor het nieuwe Jeruzalem het aardse Babel model staat (Opb. 21:22): ‘Uiteindelijk gaat het om één stad van God en van de mens’(311).

Er is wel strijd, de eindstrijd van Gog en Magog tegen de gemeente van de gelovigen. Maar dat is niet de eindstrijd tussen de wereldmachten die Bush en de zijnen ervan gemaakt hebben. Integendeel, het is de strijd tegen ‘het “militair-industriële complex” ten dienste van de vernietiging van de mensenkinderen’ (263). En die strijd kan alleen maar gevoerd worden met ‘het wapen van Gods geest’ – omdat tegengeweld de ‘ongeest’ die zij bestrijdt alleen maar zou reproduceren (294). De profeet spreekt geen oorlogstaal, schrijft Wessels (295). Al ligt daar volgens mij wel een probleem. Want die oorlogstaal is de heilige boeken niet vreemd (Elia!).


De blijde boodschap van Wessels’ boek is: er zijn drie heilige boeken maar zij vertellen één verhaal. Dat is een ‘constructie’. Anders dan de Koran die met zoveel woorden Thora en Evangelie bevestigen kan, kunnen Thora en Evangelie dat omgekeerd niet. Zij kennen de Koran immers niet. Of de Koran ‘bijbels’ is, is dus een open vraag. De constructie van Anton Wessels beantwoordt die vraag positief. Maar zijn antwoord is nadrukkelijk níet dat de Koran Thora en Evangelie bevestigt door ze te vervangen: ‘De eerdere boeken blijven ook voor de moslims relevant.’ (72) De constructie bestaat erin de drie boeken in één verhaal ‘op te heffen’. Wij gaan van het bijzondere naar het algemene. Wessels leest ze ‘allegorisch’: de bijzondere verhalen vertellen ‘eigenlijk’ wat overal en altijd gebeurt (115: Exodus; 161: de onderdrukking van Israël). De waarheid ligt niet in het bijzondere ‘op zichzelf’ maar in het algemene. De heilige schriften staan in het teken van hun opheffing. En dat geldt ook voor hun centrale feesten: Pesach, Pasen en het feest van de hidjra, zij verwijzen alle naar die ene uittocht die zonder problemen door jood, christen en moslim gemeenschappelijk gevierd kan worden (130).

Dit door Wessels geconstrueerde ‘oecumenisch project’ is sympathiek en, wat belangrijker is, in veel opzichten overtuigend. Je kunt, zoals hij dat doet, de drie boeken in één adem en door elkaar zo citeren dat zij inderdaad één verhaal vertellen. En waar wij, wat mij betreft, geen concessies meer op mogen doen is het inzicht: de Koran is, net als Thora en Evangelie, een document van de Bevrijder-God die zijn gemeente leidt op de weg van ‘recht doen en liefhebben’ (14).

De Koran is in dit opzicht misschien zelfs eenduidiger dan Thora en Evangelie. Het primaat van het algemene klinkt er zuiverder: Abraham, de vader van de gelovigen, is expliciet geen jood, christen of moslim in sociologische zin. De verhouding van de Koran tot de ‘eschatologische’ moslim is directer dan bij Thora en Evangelie. Ook in Thora en Evangelie impliceert het bijzondere – de afstamming; de met Israël onopgeefbaar verbonden Messias Jezus – , het universele: Israël is geroepen het licht van de volken te zijn, de jesuaans-messiaanse gemeente is ‘Jood noch Griek’ (Gal. 3, 28). Maar ongestoord is deze verhouding niet. Dat verschil heeft misschien te maken met wat de drie boeken onder ‘openbaring’ verstaan. Weliswaar is ook de ontmoeting van Allah met Mohammed tijd- en plaatsgebonden. Maar volgens de Koran zijn de bijzondere godsdiensten afgeleid van de ‘natuurlijke godsdienst’ die in eigenlijke zin de ‘ware godsdienst’ is (68; 169). In Thora en Evangelie is de openbaring een ‘en het geschiedde’, dat niet in een algemeen religieus principe kan worden opgelost. Het exodusverhaal verwijst wel naar andere uittochten en bevrijdingsbewegingen, maar blijft constitutief: déze uittocht is in de (theo)logica van de Thora de doorslaggevende rede om überhaupt in de mogelijkheid van uittochten te kunnen geloven. En de opstanding van de gekruisigde jood Jezus is in de perceptie van het Evangelie een eenmalig gebeuren dat de wereld eens en voor altijd veranderde. Als de Koran zegt: ‘Niet is de Messias, de zoon van Maria, iets anders dan een profeet’ (Q 5:79), dan kan het Evangelie dat met geen mogelijkheid bevestigen.

Thora en Evangelie vertellen niet zomaar hetzelfde verhaal. Zij verhouden zich tot elkaar en alleen in die verhouding zijn zij te begrijpen. De apostolische geschriften documenteren een conflict: De joden en gojim die Jezus als Messias belijden versus het rabbijnse jodendom. Dit conflict kan niet worden gladgestreken (het moet wel van zijn anti-joodse effect worden bevrijd!). Wie er gelijk heeft staat niet bij voorbaat vast. In elk geval de ‘mensen van het Evangelie’ moeten begrip hebben voor een jodendom dat zich verzet tegen zijn ‘opheffing’ in de ene gemeente van joden en gojim. Het betekende immers in de praktijk van de kerkgeschiedenis dat het moest verdwijnen in een heidenschristelijk universum.

Dat brengt mij tot de vraag of het misschien toch niet beter is de drie boeken voor zichzelf te laten spreken. Dat sluit een ‘Abrahamitische oecumene’ niet uit. Daarvoor hebben de drie monotheïstische religies te veel gemeen. En de nauwelijks te overschatten verdienste van Anton Wessels’ boek is met kracht van argumenten te hebben aangetoond, dat de islam van deze oecumene deel uitmaakt, ja voor deze oecumene bij uitstek gekwalificeerd is.

Voor het overige ben ik van mening dat het beroep van Wilders op de ‘joods-christelijke’ traditie een godgeklaagd schandaal is.


Dr. Dick Boer


Dick Boer (1939) is medewerker van het Historisch-Kritische Wörterbuch des Marxismus. Hij werkte daarvoor als docent geschiedenis van de theologie in de 19e en 20e eeuw aan de Universiteit van Amsterdam en schreef het boek Verlossing uit de slavernij (2009).






Recensie van te verschijnen april 2011 in tijdschrift BEGRIP


Tussen 1974 en 1977 publiceerde Joodse geleerde André Chouraqui een Franse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament. Daaraan voegde hij, dezelfde vertaalprincipes volgend, in 1990 een vertaling van de Koran toe. De Parijse uitgeefster Diane de Selliers gaat deze drie teksten binnenkort samen publiceren onder de titel " La Trilogie de l'Alliance: La Bible, le Nouveau Testament, le Coran". Chouraqui verbindt deze Boeken met elkaar omdat hij ze alle drie ziet staan in het perspectief van het Verbond waarin de "tien geboden" een centrale rol spelen.


Anton Wessels heeft een andere sleutel gevonden om toegang te krijgen tot tot het gemeenschappelijk getuigenis van deze drie Boeken, namelijk het thema van de Twee Steden, de Stad van God en de Aardse Stad. Sinds Augustinus dit thema rond het jaar 425 gebruikte in zijn beroemde apologie van het Christendom "Over de Stad van God", heeft het een belangrijke rol gespeeld in het Christelijk denken in West-Europa. Nu blijkt het ook geschikt te zijn om een samenhang tussen de Bijbel en de Koran aan het licht te brengen. Het gaat Wessels hierbij niet om een abstracte theorie. Hij probeert te ontdekken wat Bijbel en Koran samen ons te zeggen hebben over onze hedendaagse "steden".


De Twee Steden kunnen worden beschreven met de symbolische namen Jeruzalem, de stad van God, de stad van het heil, en Babel, de aardse stad, de stad van het kwade. Menselijke steden, staten, beschavingen kunnen zich identificeren met "Jeruzalem" terwijl ze hun tegenstanders als "Babel" beschouwen. Echter, elk "Jeruzalem" kan de trekken van "Babel" krijgen en dat is voortdurend gebeurd in de loop van de geschiedenis. De Profeten, van Noach tot Mohammed, brengen een kritische, met name maatschappij-kritische boodschap van Godswege over aan de tot "Babel" verwordende "Jeruzalems" van deze wereld.


In elf hoofdstukken werkt de schrijver het thema van de twee steden uit. De eerste twee hoofdstukken vormen een soort inleiding. Allereerst zien we hoe het thema aan de orde komt in de klassieke oudheid. Zo ziet de Griekse historicus Herodotus Athene als de grote voorvechter van de Griekse vrijheid tegen het oosters despotisme van de Perzen. In deze wereld speelt profetische kritiek op machthebbers niet direct een rol. Echter, de Griekse ethiek kent wel de waarschuwing tegen hybris, het overmoedig vertrouwen op eigen kracht, het overschrijden van aan mensen gestelde grenzen. Wessels wijst op een zekere verwantschap tussen deze waarschuwing en de kritisch-profetische boodschap van de drie Boeken. In hoofdstuk 2 geeft de auteur een bevestigend antwoord op de vraag "Is Mohammed ook onder de Profeten?".


In hoofdstuk 3 komen verhalen en andere passages aan de orde die mensen voor de keuze stellen: stedehouders van God op aarde te zijn of koningen die zich onafhankelijk van God wanen. Het gaat hier onder meer om teksten over de schepping, de val van Satan en de confrontatie van profeten met onrechtvaardige heersers als Nimrod, de Farao, Herodes, Pilatus en de kwaadaardige leiders van Mekka uit de tijd van Mohammed. Hoofdstuk 4 brengt verhalen samen over de Uittocht waaruit blijkt dat Abraham, Mozes, Jezus en Mohammed allen op weg moeten gaan naar het land dat God hen wijst, de beloofde aarde, de beloofde stad, het Nieuwe Jeruzalem, de Stad van Licht (Medina), de stad van de toekomst. Het sluit af met de vraag of Joden, Christenen en Moslims niet samen de Exodus, de Hidjra kunnen vieren en samen als emigranten op weg kunnen gaan naar waar recht is en vrede, en brood genoeg voor allen. Hoofdstuk 5 bespreekt een aantal verhalen over wat er volgens de drie Boeken terecht is gekomen van dit ideaal als het volk gaat wonen in het beloofde land, de beloofde stad, de beloofde aarde. Hoofdstuk 6 laat zien wat de verhalen over Koning Salomo en de Koningin van Scheba ( Bilqîs ) zeggen over het goede dan wel het onrechtvaardige koningschap. Hoofdstuk 7 beantwoordt de vraag wat het éne verhaal van de drie Boeken is aangaande geweld en oorlog ( heilige oorlog en djihâd ). Het is het verhaal van het breken met het onrecht, het wegtrekken uit die situatie van onrecht en het op weg gaan naar het beloofde land, waar recht en gerechtigheid zal worden gedaan, waar de Thora, de Sharia zal worden nageleefd: dat wil zeggen recht doen en liefhebben. Het samenvattende trefwoord van de drie Boeken is: verzoening en geweldloosheid. Hierbij is te denken aan Tolstoi, Gandhi en Martin Luther King. Hoofdstuk 8 biedt een interpretatie van teksten over Sodom met als conclusie: We zijn geroepen om te bidden en te werken opdat het verkrachten van recht en liefde uit onze steden verdwijnt. Hoofdstuk 9 gaat over figuren uit de eindtijd die de Stad van God bedreigen. Wessels actualiseert deze passages door te stellen dat Moloch en Mammon, de macht en het geld, de Gog en Magog van onze tijd zijn.


Beginnend met het scheppingsverhaal en eindigend met teksten over de Laatste Dagen heeft de schrijver in zeven hoofdstukken (3-9) de boodschap van de drie Boeken laten opklinken. Hij sluit zijn boek af met twee hoofdstukken over het thema Overwinning. In het eerste bespreekt hij een aantal overwinningen die Christenen en Moslims in de loop van de geschiedenis behaald hebben. De Christelijke keizer Constantijn versloeg zijn heidense tegenstanders en stichtte de glorieuze stad Constantinopel. Keizer Heraclius versloeg de Perzen en bracht rond 630 het "ware kruis" in triomf terug naar Jeruzalem. Moslims behaalden overwinningen op Christenen en veroverden zo Jeruzalem en Constantinopel. In het laatste hoofdstuk, onder de titel "Aan wie behoort de overwinning", stelt de auteur dat het niet gaat om de overwinning van een geografisch aanwijsbaar Jeruzalem op een even aanwijsbaar Babel. Zo'n Jeruzalem kan volgens de profeet Zefanja zomaar de trekken krijgen van het verderfelijke "Babel", Nineve. Ballingen uit Jeruzalem worden daarentegen door de profeet Jeremia opgeroepen om de vrede te zoeken voor de stad Babel en voor haar te bidden. De overwinning komt niet toe aan de een of andere partij, aan Joden, Christenen of Moslims, maar aan God alleen. Zo legt Wessels de belangrijke Soera "De Hulp" (S. 110) uit, die als volgt begint: "Wanneer Gods hulp komt en het succes".


Het verhaal van de twee steden loopt uit op het visioen van één stad, het Nieuwe Jeruzalem, waar alle volkeren thuishoren. Merkwaardig genoeg vertoont dit Nieuwe Jeruzalem de trekken van Babel, zoals te zien is op de foto op de omslag van Wessels boek. Dit Nieuwe Jeruzalem is nog nergens maar wel overal te verwachten, onder meer in Mokum, Amsterdam. Eens riep Vondel daar in de "Gijsbrecht" de tegenstelling op tussen de barbaarse ondergang van aardse grootheid en eeuwige waarden als nederigheid en vertrouwelijke overgave aan God, "islam" in de diepste betekenis van het woord. Want "wie in ootmoet wordt herboren is van het hemelse geslacht".


Men zou dit boek kunnen zien als het werk van een Dienaar van Gods Woord die een serie preken publiceert over een klassiek Augustiniaans thema, de Twee Steden. Predikaties die bestaan uit een uitgebreide uitleg uitlopend op een verkondiging. In de Christelijke Kerk is het gebruikelijk om zo'n serie te baseren op twee Boeken, meestal aangeduid met de naam Oude en Nieuwe Testament. Nieuw is dat de basis hier gevormd wordt door drie Boeken, die trouwens met namen gangbaar onder Moslims beschreven worden: Thora, Evangelie en Koran. Het thema is gekozen met het oog op hedendaagse polariseringsverschijnselen in de relaties tussen de drie religieuze en/of culturele gemeenschappen die zich met één of meer van deze Boeken verbonden weten.


Een preek of een serie van preken kan nooit de volledige rijkdom weergeven van het Boek of de Boeken die eraan ten grondslag liggen. Dat is vanzelfsprekend ook met dit boek van Anton Wessels het geval. Men kan vraagtekens zetten bij de exegese van deze of gene passage, men kan ook stellen dat in een bepaald Boek andere thema's meer centraal zijn. Evenwel, dit doet mijns inziens niets af aan de relevantie van de boodschap die de schrijver doorgeeft aan ons, zijn tijdgenoten, Joden, Christenen, Moslims en anderen. In het Evangelie van Mattheüs (13:52) zegt Jezus "Iedere schriftgeleerde die leerling van het Koninkrijk der Hemelen is geworden lijkt op een heer des huizes die uit zijn voorraadkamer nieuwe en oude dingen tevoorschijn haalt". Wessels heeft, denk ik, getracht zo'n schriftgeleerde te zijn. In zijn voorraadkamer vond hij drie Boeken, de Thora, het Evangelie en de Koran.


Het is een teken van hoop dat deze "Drie Boeken benadering" zich vandaag in Joodse, Christelijke en Moslim kringen manifesteert. Wij noemden al de "Trilogie van het Verbond", de Franse vertaling van de Drie Boeken door de Joodse geleerde André Chouraqui. Ook de open brief "Een gemeenschappelijk Woord", in 2007 gepubliceerd door 138 Moslim geleerden is gebaseerd op de Drie Boeken. Dit is een teken van hoop en ook een appèl om op deze weg verder te gaan.


Dr. Hans Haafkens

woensdag 3 november 2010

24 november 2010 Boekpresentatie




Boekpresentatie in het Kirchnercafe: Bijbel en Koran, het verhaal van twee steden

De Bijbel vertelt een verhaal van twee steden: Jeruzalem en Babel. Enerzijds de stad van gerechtigheid en vrede tegenover anderzijds de stad van onrecht en onderdrukking. Het uiteindelijke toekomstperspectief is gericht op het nieuwe Jeruzalem, de stad met de fundamenten waar God zelf de ontwerper en bouwmeester van is. Ook in de verhalen uit de Koran komen twee soortgelijke steden naar voren: Mekka en Medina. Mekka wordt omschreven als de stad van het onrecht in de eerste periode van het optreden van de profeet Mohammed en de stad Medina die ‘de lichtstad’ zou gaan heten, de nieuwe stad waar gerechtigheid zou zijn. Anton Wessels schetst de verbindende boodschap van de verhalen van drie heilige boeken, de Tenach, het Evangelie en de Koran, en hun profeten Abraham, Mozes, Jezus, en Mohammed. Wat is de boodschap van deze verhalen voor onze huidige multiculturele steden? In het tweede deel van de avond is er ruimte om vragen te stellen en in gesprek te komen over de uitdagende perspectieven van deze visie.

Datum: donderdag 14 oktober uitgesteld naar 24 november
Tijd: 19.30-21.30 uur
Kosten: € 10,-
Begeleiding: Anton Wessels, em. hoogleraar Godsdienstwetenschap aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.



Ignatiushuis, Centrum voor Geloofsverdieping en Christelijke Spiritualiteit. Beulingstraat 11, 1017 BA Amsterdam. Bereikbaar: ma t/m vr, 9.30 - 16.30 uur.

Tel : (020) 679 82 07
Fax : (020) 670 20 15
E-mail : info@ignatiushuis.nl
Girorekening : 49 78 300 t.n.v. R.K.Stichting Ignatiushuis Amsterdam

zaterdag 18 september 2010

Samen Wijzer Dag 11 september
Thomastheater in Amsterdam
Georganiseerd onder meer door Kerk en Vrede.

Het onderwerp dit jaar was een 'godsdienstgesprek', uitgelokt door de Open Brief van de Moslimgeleerden ' 'Common Word waarop Hebe Kohlbrugge c.s. reageerde met een Open Brief aan de PKN


Lezing Anton Wessels:
In 2001 viel de elfde september zoals U zich waarschijnlijk allemaal wel herinnert op een dinsdag. Waar was U toen het gebeurde? ... Op de vrijdag daarop volgende hield een nieuwe collega aan de Theologische faculteit aan de Vrije Universiteit zijn inaugurele rede waarbij hij de opmerking maakte: ‘De profeet Mohammed heeft de stad Mekka met geweld ingenomen.’ Toen hij dat zei met die timing een paar dagen na die dinsdag was de strekking voor geen misverstand vatbaar. ‘Osama Bin Laden heeft het van niemand vreemd.’ Een dergelijke wijze van spreken over de Islam is niet typisch voor alleen voor het ‘ver Wilderd(s)e denken’ dat in Nederland door de rechtste politiek inclusief het CDA in de komende jaren van harte gedoogd zal worden, maar ontvangt brede steun in rechts christelijke, kerkelijke en ook theologische kringen in Nederland.

Het is jammer dat de opstellers en ondertekenaars van de ‘Openbrief aan de PKN - synode’ geen kenners zijn van de Koran en de Islam in de echte, zo u wilt, wetenschappelijk zin van het woord, noch kennelijk de behoefte hebben gevoeld advies in te winnen van diegenen in Nederland die deze deskundigheid wel bezitten. Ook heeft men gemeend geen kennis te hoeven nemen van wat door christelijke geleerden b.v. in deze laatste halve eeuw is gedacht, gezegd en geschreven, nationaal en internationaal, over de alle belangrijke aangelegen theologische vragen tussen christenen en moslims omtrent het verstaan van God, het profeetschap van Mohammed, de Godsleer, de triniteit en de christologie om deze dan in hun bezinning te kunnen betrekken.

Drie voorbeelden wil ik noemen van die gebrekkige kennis.

1. Bijzonder kwalijke is misduiding van de Koran namelijk als geschreven wordt dat dé moslims Tenach en Evangelie als gecorrumpeerde bronnen zouden beschouwen. Dat is onjuist. Nergens is dan ook maar een spoor daarvan in de brief van die 138 moslimse geleerden ‘Een gemeenschappelijk Woord’ te ontdekken. Het tegendeel is het geval.

2. De veronderstelling (‘onze indruk’ wordt het genoemd) dat de islam, ook vanuit de bronnen, in sterke mate de waarden van kracht, macht en mannelijk eer koestert, toont een grondig gebrek aan kennis van die bronnen in het bijzonder de Koran.
De boodschap van de Koran is anti - Arabisch om zo te zeggen - diens profetische boodschap is ook niet ‘naar de Arabische mens’, zoals het Evangelie niet is ‘naar de mens’, Galaten 1:11. De Koran gaat scherp in tegen de gedachte van ‘eer’. De hoogste eer voor de mens is gelegen in de mate van zijn vreze Gods (Q 49:13).

3. Ronduit schokkend noem ik de volgende zin: ‘Waar het wordt uitgesloten dat God Messias lijdt en sterft om het diepste lot van de mensheid te delen, verdampt (curs. AW) de ‘common ground’ (waar de moslimse geleerden over schrijven) van een gemeenschappelijk Gods besef.’
Ten eerste de kruisiging wordt niet door de Koran ontkend. Ontkend wordt dat de joden het gedaan hebben! ‘Het zijn de joden niet Heer Jesu die u kruisten,’ wist de Koran duizend jaar vóór Revius. Dat ten eerste. Maar waar is het ‘bewustzijn’ bij de schrijvers van deze zojuist aangehaald regel: dat niet in de islamitische wereld, maar in het ‘allerchristelijkste’ Europa zes miljoen leden van het volk waartoe Jezus toebehoorde zijn omgebracht (honderd duizend uit deze stad Amsterdam, waar we bijeen zijn, weggevoerd), - joden die misschien niet in de christelijk dogmatische zin van het woord in de ‘Gekruisigde’ geloofden, maar intussen wel die weg van de Gekruisigde gingen. Zij leden en stierven, ‘verdampten’, in de nabijheid van kerken en kloosters in die zich christelijk noemende landen. Zes miljoen maal werd ‘Jezus’ opnieuw gekruisigd.

Ik zwijg nu maar verder over de toon waarop vragen gesteld worden over de godsdienstvrijheid, rechten van de mens, de positie van christenen in moslimse landen, de moeilijkheid van overgang van de islam tot het christendom daar. Natuurlijk kunnen, mogen en moeten vragen gesteld worden, maar dat kan pas echt goed indien men kennis en bevinding toont niet alleen van wat er de laatste 14 eeuwen is geschied, maar ook de oorlogen die de laatste decennia en nog steeds worden gevoerd in Israël, Palestina, Irak, Afghanistan ...
Laat het duidelijk zijn dat er sprake is van een ideologische vorm van de islam, dat er een politieke islam bestaat, zelfs verschillende. Helaas lenen zich godsdiensten maar al te zeer tot politiek gebruik of vooral misbruik. G.J. Heering schreef bijna een eeuw (1928) geleden zijn Zondeval van het Christendom. Met keizer Constantijn de Grote liep het zeker wat de kerk in het Westen betreft echt fout en werd sindsdien de christelijke godsdienst gebruikt als een instrument van macht over anderen, en tegen anderen niet in de laatste plaats de joden en vervolgens de moslims. De kruistochten tegen de moslims zijn het veel aangehaalde voorbeeld van zo’n verraad van de boodschap van Jezus van Nazareth.

Ik wil trachten iets te zeggen over de heilige boeken van joden, christenen en moslims: de Tenach, het Evangelie (het zgn. Nieuwe Testament), én de Koran. De belangrijke vraag daarbij is of die spanningen, conflicten, oorlogen van toen en nu verband houden met die boeken, met de boodschap zoals die daarin vervat ligt. Ik denk aan het anti - semitisme, het anti-islamisme en anti -christendom dat op grond van deze boeken door fundamentalisten, radicalen (hoe U ze noemen wil) van resp. alle drie tradities wordt gelegitimeerd.
Het is mijn overtuiging dat die drie boeken een ándere weg wijzen. Het is daarom van levensbelang dat wij samen, jood, christen en moslim, luisteren naar deze drie boeken in samenhang. Zo zijn ze te lezen en kunnen ze gelezen worden en zijn naar mijn diepste overtuiging ook bedoeld gehoord te worden.
‘Bismillah al- Rahmân al Rahîm. In de naam van God de Barmhartige, de Erbarmer’. Zo zal een moslim een lezing beginnen, trouwens elke onderneming. Zo beginnen alle hoofdstukken van de Koran (op één na). Rahmân, Barmhartige, is de Godsnaam die door joden en christenen in het Arabische schiereiland, lang vóór en in de tijd van de profeet Mohammed gebruikt werd. Er is een inscriptie in het Zuiden van Arabië gevonden met deze naam, in het gebied trouwens waar volgens de Bijbel en Koranverhalen de koningin van Scheba vandaan kwam. Deze koningin, zo vertelt de Koran, ontving een brief van koning Salomo die begint met deze aanhef: In de naam van God de Barmhartige, de Erbarmer (Q 27:30).
Wil je als jood of christen de Koran goed begrijpen, dan is het van cruciale betekenis te weten dat de profeet Mohammed sprak tot een gehoor dat voor een belangrijk deel uit joden en christenen bestond. D.w.z. een gehoor dat vertrouwd was met de Bijbelverhalen. Mohammed trad op in een situatie in het Arabische schiereiland, waar joden en christenen leefden en niet te vergeten joodse christenen. In verschillende fasen van de geschiedenis waren joden daar terecht gekomen: na de verwoesting van de eerste tempel, in de zesde eeuw vC t.t.v. Nebukadnezar, en later na die van de tweede tempel in 70 na Christus. Maar in die tijd en rond de opstand van Bar Kochba (tweede eeuw) vonden joodse christenen een toevlucht in Arabië. Dat is een belangrijk tak van de kerk waarvan het Nieuwe Testament duidelijk getuigt, maar die door christenen in het Westen vaak vergeten is en wordt. Maar die joodse christenen zijn in het (Midden-) Oosten duidelijk aanwezig en de onderlinge discussies, gesprekken, conflicten tussen joden, joodse christenen en andere christenen gaan tot de vierde vijfde, zelfs zesde eeuw door.
Verder moeten wij beseffen dat de christenen die Mohammed daar in Arabië ontmoette en kende niet de christenen waren die met het Westen verbonden waren, niet de christenen van de ‘keizerlijke’, melkitische (melkos betekent vorst), Byzantijnse kerk of de Oosters Orthodoxe kerk, maar die kerken die in onmin leefden met deze met macht verbonden en de op macht beluste kerk van Byzantium. Mohammed had te maken met Syrisch Orthodoxe (of Jakobitische) en de Assyrische of Nestoriaanse christenen, die je dus vond of nog vindt in landen als Syrië, Libanon en Irak. Je had metropolieten van de Nestorianen bijvoorbeeld in Afghanistan.
Net zo min als Jezus stichtte Mohammed, toen hij tot profeet geroepen werd, een nieuwe godsdienst, maar hij predikt de Thora: de weg die God via Mozes, Mûsâ heeft gewezen. Geen profeet wordt in de Koran vaker aangehaald dan Mozes. Als je kort wilt zeggen waarom het in de Thora gaat? Wel: recht doen en liefhebben (God bovenal en je naaste als jezelf). Jezus is niet gekomen om die Thora af te schaffen. Uitdrukkelijk kwam Hij om die te vervullen (Mattheüs 5:17): te laten zien wat de bedoeling daarvan is. Als je moet uitleggen wat vervullen is, denk ik graag aan het beeld van de leren waterzak die in het Midden Oosten nog steeds gebruikt wordt. Als er geen water in zit, kun je afvragen waar die in hemelsnaam voor dient. Maar als die vol is, dan weet je het. O! dient het daartoe. Jezus is bovenal gekomen om die Thora te doen. Hij is de vleesgeworden Thora, de belichaming van de Thora, Zoon van de wet, zoon van de Thora. Ten diepste is er of mag er geen schisma zijn tussen joden en diegenen die zich christenen noemen, die wáre volgelingen van Jezus trachten te zijn. Het conflict gaat niet om de Thora. Het geschil is enkel en alleen de kwestie van het doen ervan. ‘Doe het en gij zult leven’.
Welnu, Mohammed komt als profeet. De boodschap neergelegd in de Koran houdt in: zoals Jezus kwam om de Thora te bevestigen, zó kwam Mohammed om de Thora én het Evangelie, de boodschap van Jezus, te bevestigen. Dus, aldus Mohammed, bevestigt de Koran, zowel de Thora als het Evangelie (Q 5:46-48).
In die zevende eeuw en sindsdien interpelleert Mohammed om zo te zeggen de joden en de christenen omtrent zowel het verstaan en de uitleg, als het doen van die Thora (‘recht doen en liefhebben’) en laat zich zelf ook interpelleren.
Het is goed te bedenken dat om zo te zeggen: Mozes geen ‘Jood’, Jezus geen ‘christen’, en Mohammed geen ‘moslim’ was. Daarmee wil ik aangeven dat geen van de drie tradities en gemeenschappen (Jodendom, Christendom en Islam), respectievelijk met Mozes, Jezus en Mohammed samenvallen. Deze gestalten, zo centraal voor respectievelijk de joodse, de christelijke en de moslimse traditie, zijn niet om zo te zeggen het ‘bezit’ van resp. van één van deze drie tradities afzonderlijk, alsof ieder voor zich een ‘patent’ zou hebben op respectievelijk Mozes, Jezus en Mohammed, alsof elk voor zich aanspraak zou kunnen maken op het exclusieve recht op tekst en uitleg van de respectievelijke boeken: Tenach, het Nieuwe Testament en de Koran. De joodse geleerde David Hartman uit Jeruzalem merkte op: ‘Wij - Joden - zijn niet ‘the only show in town’. Natuurlijk hebben in de praktijk, in de geschiedenis christenen én moslims vooral gedacht deze ‘show’ te kunnen stelen. Sinds de vierde eeuw meende Constantijn de Grote dat de christenen, hij zelf voorop, die wimpel in Jeruzalem kon overnemen. In hoc signo vinces. In dat teken, teken van het kruis, zult gij overwinnen zou Constantijn toch immers in de wolken hebben geschreven hebben gezien vóór de inname van Rome, de strijd tegen Maxentius bij de Milvische brug? Zijn moeder Helena vond voor het gemak het ware kruis dan ook in Jeruzalem, over welke plaats de heilige grafkerk werd opgericht.
Toen in de zevende eeuw de moslims Jeruzalem veroverden, bouwden zij de ‘Rotskoepel’ op de tempelberg en volgens de uitleg zagen zij het als een triomf van de islam over het jodendom en met name over het christendom! Maar dat is, en dat is mijn belangrijke punt, in beide gevallen, niet in de geest van de Thora en de Profeten, dat wil zeggen, dus ook de Koran niet! Het is een verloochening en verraad van Thora, Evangelie én Koran.
Natuurlijk is en blijft er een joodse, christelijke en moslimse uitleg, vooral van die laatste twee, die hun eigen geloof en traditie, hun eigen boeken tegen de ander hebben uitgelegd en nog steeds uitleggen. En daar kun je mee voortgaan en ik zie die ‘Open brief brief’ in feite in die heilloze traditie staan.
Wel een dergelijke houding is op zijn gunstigs vruchteloos, maar vooral gevaarlijk om dat het de wederzijdse vijandschap verdiept, de tegenpartij tracht te demoniseren en te fanatiseren, hetgeen duidelijk tot grote schade leidt voor alle betrokkenen.

Ik laat mij voor mijn overwegingen graag inspireren door die andere grote Mozes, de joodse filosoof Mozes Maimonides. Maimonides werd in 1135 in Cordoba in het Moorse Spanje, al-Andalus, geboren en in 1204 in Cairo begraven. Hij was ook geneesheer en diende in Egypte de beroemde sultan Saladin (1138-1193) als diens lijfarts. Saladin versloeg in 1187 de kruisvaarders nabij Tiberias en veroverde Jeruzalem. Een arts wordt in het Arabisch, de taal waarin Maimonides zich bewoog en schreef, aangesproken met ‘hakîm’, ‘de wijze’. Wel Maimonides was in meerdere opzichten ‘wijs’.
Maimonides leeft en werkt dus in de door moslims gedomineerde wereld en heeft zich afgevraagd wat de betekenis is van die andere twee tradities, het christendom en de islam, die zich immers toch ontwikkeld hebben vanuit de inspiratie bron van zijn eigen joodse traditie. Hij verklaart in zijn oorspronkelijk in het Arabisch geschreven Gids der verdoolden: 'De moslims zijn in het geheel geen afgodendienaars en zij verkondigen op juiste wijze de volstrekte eenheid van God'. En elders (schrijft hij): 'Het gaat het menselijk denken te boven om de plannen van de Schepper te peilen. Want onze wegen zijn niet Zijn wegen, noch onze gedachten Zijn gedachten (Js 55:8). Alle zaken die betrekking hebben op Jezus van Nazareth en de Ismaëliet, Mohammed, die na hem kwam, diende duidelijk de weg van de koning Messias om de hele wereld voor te bereiden om God eensgezind te aanbidden, zoals geschreven staat: 'Maar dan zal Ik de volken andere, reine lippen geven, opdat zij állen de naam des HEREN aanroepen; opdat zij Hem dienen zij aan zij' (Sef 3:9). Maimonides denkt bij de ‘volken’ dan aan die zogenoemde christelijke en moslimse volken.
De vraag, 'Is Mohammed ook onder de profeten?', verdient van joodse en christelijke zijde volmondig bevestigend beantwoord te worden. Het is van groot belang dat jood, christen en moslim samen Thora, Evangelie en de Koran in samenhang lezen en zo goed mogelijk trachten te verstaan. De gemeenschappelijke boodschap van de drie Boeken is gericht aan allen die het horen willen, zich ‘geroepen’ weten: diegenen die door God via de dienst van de profeten, Mozes, Jezus, Mohammed, geroepen worden. In de historie zijn drie afzonderlijke gemeenschappen ontstaan: de joodse gemeente of qahal, dat letterlijk ‘geroepenen’ betekent. De christelijke kerk wordt ecclesia genoemd, wat de Griekse vertaling van de Septuagint én het Nieuwe Testament van het Hebreeuwse woord qahal is. De moslimse gemeenschap heet umma. Wat deze laatste uitdrukking betreft verwijst die in de Koran naar een gemeenschap die één gemeenschappelijk dienst aan God deelt. Abraham, Ibrâhîm was een gemeente, umma op zich (Q 16: 120, Abraham is het prototype voor de wáre gelovige (vgl. Q 3:67; 2:128, 134. 141). Aan iedere gemeenschap wordt een boodschapper gezonden (Q 10:47). Er is sprake van één gemeenschap van de mensheid, waarvan God Heer is (Q 23:52). De gemeente van profetische boodschappers wordt als één gemeente gezien (Q 21:92). In de loop der geschiedenis is echter verdeeldheid ontstaan, zo constateert de Koran (Q 21:93), in die gemeente die één was (Q 16:120; vgl. 2:213): de mensen behoorden tot één gemeenschap, maar zij gingen van mening verschillen. (Q 10:19). Maar eens zál uit diegenen die zich vol vertrouwen aan God toewijden, overgeven (dat is wat moslim in de echte zin van het woord betekent) één gemeente voortkomen, die oproepen tot wat goed is, gebieden van recht is, en verbieden wat verwerpelijk is. Die mensen zal het wél gaan (Q 3:104).

Voorbede voor de stad en de wereld, urbi et orbi
De Koran vertelt evenals de Bijbel dat Abraham voorbede bij God deed voor de stad van het onrecht bij uitstek, namelijk Sodom (Q 11:74,75). De aartsvader, de vader van alle gelovigen, is het model van de ware ‘moslim’, voorbeeld zo zegt de Koran, voor jood, christen en ‘moslim’ (in de sociologische zin van het woord) (Q 2:140; 3:67), voorbeeld voor de ‘gemeente’ (of die zich synagoge, kerk of moskee noemt), voorbeeld in feite voor élk mens, elcerlyck. Zoals deze voorbidder voor het aangezicht van de Eeuwige standhoudt, wordt datzelfde van de ‘kinderen van Abraham’ gevraagd te doen, dus bewijzen een voorbiddende qahal, ecclesia of umma te zijn die de roepstem van de profeten voor de stad, voor élke stad horen. En dan moeten de nazaten van Abraham dit gebed, die voorbede doen, en net zoals Abraham van hun hart geen moordkuil maken. God wil uit de mond van de biddende gemeente vernemen wat er onder de mensen omgaat, wat er aan mankeert: onrecht, liefdeloosheid, verkrachting van de rechten van de mens. Zo staat Abraham biddend in voor de Sodomieten. Dus deze taak van de ‘vader van alle gelovigen’ is kennelijk nadrukkelijk ook voor zijn gelovige nazaten weggelegd: Voorbede te doen voor onze steden: voor de stad en voor de wereld (urbi et orbi). Bidden betekent tegelijkertijd ook werken, ora et labora, bid en werk. Dat Abraham dat ook zelf deed, liet hij wel zien toen hij zich daadwerkelijk inzette voor de bevrijding van zijn neef Lot én Sodom, zoals een eerder verhaal vertelt (Genesis 14:13-16). Door zo te bidden en te werken kan het voortbestaan van de stad en de wereld mogelijk blijven.
Zo moet ook vandaag, zeggen ons Bijbel en Koran, gebeden en gewerkt blijven worden voor de steden, zodat het Sodomitische karakter verdwijnt: het verkrachten van recht en liefde in de letterlijke en de figuurlijke zin van het woord. In veel steden leven er mensen die vreemdelingen zijn; vreemden zijn voor elkaar, steden waar ongastvrijheid heerst en die geen vreemdeling kunnen dulden. Als dat in onze steden geschiedt dan gaan die op Sodom lijken.
Als Jezus eens op weg naar Jeruzalem ongastvrij in Samaria. ontvangen wordt vanwege de bestaande vijandige verhoudingen tussen joden en Samaritanen, stellen zijn leerlingen, Jakobus en Johannes, voor vuur uit de hemel afroepen, die deze zal verteren?’ (Lc 9:54). Jezus roept echter deze ‘zonen des donders, Boanerges, deze donderjagers (Mc 3:17), streng en bestraffend tot de orde! (Lc 9:55). Dat is niet het antwoord op de ongastvrijheid.
Hét joodse, christelijke en moslimse profetische appel is: voor de stad en voor de wereld, urbi et orbi te te bidden en te werken. Als die oproep, dat appel verdampt, ‘Verklinkt’, dan gaan die steden pas echt naar de sodomieter, wat God verhoede. Híj is Goddank lankmoedig, langzaam in Zijn toorn of zoals de Koran het zegt: God heeft zichzelf barmhartigheid voorgeschreven (Q 6:12).

maandag 12 juli 2010

God in de lage Landen

Op zondag 11 juli 2010 heeft Anton Wessels meegewerkt aan een uitzending van ' God in de Lage Landen" op Nederland 2. Hierin heeft hij gesproken over Vincent van Gogh en zijn spiritualiteit. De periode dat Vincent van Gogh als Evangelist in de Borinage in Belgie heeft gewerkt wordt uitvoerig belicht en daarnaast worden ook enkele van zijn werken besproken.
( Te bezichtigen op www.uitzending gemist.nl., EO, Nederland 2 , 11 juli 2010)


maandag 25 mei 2009





EVANGELIE VOLGENS VINCENT VAN GOGH


Anton Wessels

Vincent van Gogh is enkele jaren predikant en evangelist geweest. Maar ook nadat hij zijn roeping als schilder gevolgd had, is hij evangelist gebleven. Anton Wessels geeft hiervoor een samenhangend en overtuigend bewijs. Daarvoor plaatst hij het werk van de schilder tegen de achtergrond van zijn hele leven en al zijn werken – dus ook van de laatste tien jaar van zijn arbeid als schilder. Het rijk geïllustreerde boek vertelt de boodschap van Vincent van Gogh in woord én beeld, onderverdeeld in drie grote thema's: ‘Droef en toch blijde’, ‘Door duisternis tot licht’ en ‘De kunst van het leven’. Afbeeldingen, tekeningen en schilderijen zijn steeds voorzien van uitleg. Soms brengt Wessels ze in verband met teksten uit de Bijbel,maar vooral citeert hij Van Goghs eigen tekst en uitleg. Het evangelie volgens Vincent van Gogh toont aan hoezeer Van Gogh in gesprek is geweest met en geïnspireerd werd door zijn ‘medepelgrims op weg’. Anton Wessels schreef eerder Een soort Bijbel. Vincent van Gogh als evangelist. Hij is emeritus hoogleraar godsdienstwetenschap en hield zich in die functie vooral bezig met de islam.

Verschijningsdatum: 17 april 2009 uitgave ten Have
verkrijgbaar o.a bij boekhandel Kirchner, Scheltema/Holkema, VU boekhandel


ISBN: 9789025959692 | Aantal pagina's: 256 | Uitvoering: Hardcover | Verschijningsjaar: 2009 | taal: Nederlands

zaterdag 28 maart 2009

Kirchnercafe

Op donderdagavond 23 april a.s. zal Anton Wessels naar aanleiding van zijn nieuwe boek
Het Evangelie van Vincent Van Gogh ingaan op hoezeer deze geinsprireerd werd door zijn 'medepelgrims' op weg. Hij was evangelist en is dat steeds gebleven.
Over deze visie gaat de auteur in gesprek in Kirchnercafe in het Ignatiushuis,20.00 uur, Beulingstraat 11 te Amsterdam.
Aanmelden op www.boekhandelkirchner.nl toegang vrij.

dinsdag 17 februari 2009

JEWELS




Rabia van Basra

Rabia van Basra liep op een dag de straat op, met in haar ene hand een emmer water en in de andere hand een brandende toorts. Op de vraag wat zij met dit vreemde optreden beoogde, antwoordde zij: ‘Die emmer water gebruik ik om de hel uit te doven en de toorts om de hemel in brand te steken, opdat niet de vrees voor de hel of het verlangen naar het paradijs mij zal belemmeren om God lief te hebben om zijns zelfs wil. O God indien ik U zou aanbidden uit vrees voor de hel, moge dan de hel mij verbranden en indien ik u zou aanbidden in de hoop op het paradijs, wil mij dan buiten het paradijs sluiten, maar indien ik u aanbid om u zelfs wil, onthoud mij dan niet uw onvergankelijke schoonheid.’

&&&&&&&&&&&&&&&

Spinoza ( 1632 - 1677)
" Daar wij het zeldzame geluk hebben in een staat te leven, waar iedereen volledig vrij is om te oordelen, God zoals hij wil te dienen en waar de vrijheid als het kostbaarste of aanlokkelijkste goed wordt beschouwd, leek het me niet nutteloos om aan te tonen dat deze vrijheid niet alleen niet ten koste gaat van de vroomheid en de staat, maar meer nog dat zonder haar ook de vrede in de staat en de vroomheid teniet worden gedaan."


&&&&&&&&&&&&&&&&&

Han Blauw:
"In een werkelijk gesprek luistert men zo dat de ander wel moet spreken, en spreekt men zo dat de ander moet luisteren;het overwint de monoloog en de vrijblijvendheid;de eenzijdigheid en de dwangmatigheid"

&&&&&&&&&&&&&&&



Maimonides kan een belangrijke gids zijn. Hij dacht in zijn tijd en in zijn maatschappij na over de multiculturele samenleving en schreef: 'De Moslems zijn in het geheel geen afgodendienaars en zij verkondigen op juiste wijze de volstrekte eenheid van God'. 'Het gaat het menselijk denken te boven om de plannen van de Schepper te peilen. Want onze wegen zijn niet Zijn wegen, noch onze gedachten Zijn gedachten. Alle zaken die betrekking hebben op Jezus van Nazareth en de Ismaëliet (Mohammed) die na hem kwam diende duidelijk de weg van de koning Messias om de hele wereld voor te bereiden om God eensgezind te aanbidden, zoals geschreven staat: 'Dan zal ik de lippen van de volken rein maken, zij zullen de naam van de Heer aanroepen, ze zullen hem dienen, zij aan zij, Sefanja, 3:9.‘2
Mozes Maimonides was een jood en leefde van 1138 - 1204, geboren in Cordoba, Spanje .

&&&&&&&&&&&&&&

Stand by Me
Naar aanleidng van een lezing ontving ik deze link als ondersteuning/onderstreping voor het pleidooi om te komen tot een samenleving waar genoeg is voor allen.  Muzikanten over de hele wereld komen in harmonie  tesamen. Met dank aan Gieneke.


&&&&&&&&&&&&&&&



LEZINGEN: (3) Chagall, De zachte krachten, Een verhaal van 2 steden.
















CHAGALL WAS EEN OECUMENISCH SCHILDER

AMSTERDAM - Kunstenaar van de oecumene, de liefde en de menselijkheid. Zo betitelde islamoloog prof. dr. Anton Wessels gistermiddag (13 februari 2003) de joodse schilder Marc Chagall (1887-1985). Wessels hield een afscheidsrede als hoogleraar missiologie en godsdienstwetenschap aan de Vrije Universiteit.

Aan de hand van tientallen dia's van Chagalls werk zette Wessels uiteen wat Chagalls inspiratiebronnen zijn geweest, alsook hoe de in Rusland geboren jood stond tegenover de Bijbel en de verschillende culturen en godsdiensten.
De scheidende hoogleraar constateerde dat de wereldbekende kunstenaar in zijn werk een getuigenis heeft achtergelaten ,,dat werkelijk oecumenisch is''. Dit ondanks dat hij leefde in een periode vol oorlogen en spanningen. De boodschap van Chagall achtte Wessels van wezenlijk belang voor de huidige tijd die sterk gekenmerkt lijkt te worden ,,door nieuw racisme en vreemdelingenhaat en pure domheid''.
Hagar Illustratief voor Chagalls oecumenische instelling vond de hoogleraar zijn afbeelding van de slavin Hagar. Abraham en Sara hadden Hagar laten vallen en zonden haar en haar zoon de woestijn in. God ziet echter naar haar om. ,,In tegenstelling tot de tekst van de Bijbel houdt Hagar op Chagalls afbeelding haar zoon in de armen: als een authentieke piëta, als een mater dolorosa, een moeder van smarten.'' Volgens Wessels tekent Chagall Hagar - stammoeder van de Arabieren, de moslims - als een geliefd schepsel van God, dat onder zijn zegen staat. Wessels: ,,Een indrukwekkend teken en een oproep aan de mensen om ondanks alle verschillen elkaar met wederzijds respect, vriendelijkheid en liefde te aanvaarden, omdat dat de wil van God is.''
Aan de hand van meer werken liet Wessels Chagalls verbondenheid zien met de ,,drie tradities'' van jodendom, christendom én islam. Zo komt in veel schilderijen het kruis voor. Chagall was onder de indruk van het kruislijden. Het bleke gelaat van de lijdende Christus bracht hem in verwarring.
De rode draad in Chagalls werk is verder de liefde, signaleerde de islamoloog, die wees op zijn weergave van het Hooglied. ,,Die liefde is innig verbonden met het Geheim met een hoofdletter, het geheim dat God is. Daarvan getuigt hij met zijn kleuren, met zijn boven de werkelijkheid zwevende geliefden.''
Dialoog
Wessels benadrukte in zijn afscheidsrede dat het er niet om gaat Chagall voor een christelijke kerk ,,in de engere zin van het woord'' te claimen. Hij kent het verwijt dat wanneer je je open stelt voor andere culturen en godsdiensten (dialoog), de eigen identiteit (het getuigenis) verloren gaat. Wessels: ,,Ik denk dat dat alleen door iemand gezegd kan worden die zelf zo'n poging nimmer ondernomen heeft. Van die eigen identiteit wordt je juist in dialoog, in de ontmoeting, pas echt bewust.''
Nederlands Dagblad, 14 februari 2003

-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-

Delen van de lezing uitgesproken op 8 april 2006 in de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam


De zachte krachten zullen zeker winnen in het einde.
(Henriëtte Roland Holst)

Op 1 januari 2002 zei de burgemeester van Amsterdam, Job Cohen, in zijn toespraak bij de nieuwjaarsreceptie van de gemeente Amsterdam: ‘Sinds geruime tijd besteedt de overheid in dit land aan de rol van religie geen aandacht. De scheiding van kerk en staat staat bij ons, terecht, hoog aangeschreven. Maar het is de vraag of de overheid, overigens met inachtneming van de doctrine van die scheiding, niet meer oog moet hebben voor deze rol van de religie, juist omdat het als bindmiddel zo'n belangrijke rol speelt. De integratie van sommige bevolkingsgroepen in onze samenleving verloopt nu eenmaal via hun godsdienst. Willen we de dialoog met elkaar gaande houden, dan moeten we hoe dan ook de religieuze infrastructuur erbij halen. Zonder moskeeën, tempels, kerken en synagogen lukt het niet.’

Wat zou de bijdrage inhoudelijk kunnen zijn aan het publieke debat? Godsdienstige gemeenschappen zijn vertelgemeenschappen. Het zijn godsdienstige en cul¬tu¬¬rele gemeen¬schappen waar¬binnen verhalen verteld worden. Verhalen over hoe je met elkaar en met God omgaat, welke normen en waarden je in het leven hebt die in elke tijd en in elke nieuwe omge¬ving richting kunnen geven, hoe je het le¬ven en de dood, het lot, aan kunt en hoe geloof, moraal, re¬gels van gedrag, ja, de hele cul¬tuur aan de volgende generatie kan worden overgedragen. Weliswaar leven wij in een tijd, vooral in de westerse wereld, waarin er minder geloof lijkt te zijn in de 'grote verhalen', zoals dat heet. Toch blijft het goed elkaar verhalen te vertellen. Meer dan om een geloofsleer gaat het om een geloofsverhaal, 'verhalende filosofie' of 'verhalende the¬o¬lo¬gie' om het zo te zeggen. Het aar¬dige van verhalen is ook dat het kan bijdragen aan het elkaar wederzijds leren verstaan. Verhalen zijn niet aan grenzen van culturen gebon¬den. Zoals in de toenadering tussen joden en christenen verhalen een belangrijke rol hebben gespeeld bij wederzijds begrip, zo zouden ook jodendom, christendom en islam met elkaar hun verhalen kunnen delen. Zo was er eens een rabbijn die op straat liep en een huilend jongetje tegen kwam. Hij vroeg hem: 'Waarom huil je?' Het jongetje antwoordde: 'Ik huil omdat ik verstoppertje aan het spelen ben, maar niemand zoekt me', waarop de rabbijn begint te huilen. 'Jij bent als God.' zei hij. 'Hij houdt zich verborgen, maar niemand zoekt Hem.' Is dat geen waar verhaal, herkenbaar voor een ieder, van welke achtergrond dan ook?

Voor de jood en de christen is het belangrijk ook oor te hebben voor de boodschap die de profeet Mohammed heeft gebracht. Wie Mohammeds ervaringen bestudeert en vergelijkt met wat beschreven staat over de ervaringen van de profeten in de Bijbel, wordt de grote verwantschap dui¬delijk. 'Hoor iemand zegt, “Roept!”. En de vraag klinkt: “Wat zal ik roepen?”’, wordt door de profeet Jesaja (40:6) gezegd. Met dezelfde woorden kan worden aangeven wat Mo¬ham¬med overkwam. Mohammed was gewoon zich elk jaar gedurende een maand in een grot op de berg Hira in de buurt van Mekka, zijn geboorteplaats, terug te trekken. Land¬schappelijk is dit erg vergelijkbaar met de berg Sinaï, waar Mozes (Musa) en Elia hun godsopenbaringen ontvin¬gen (vgl. Exodus 24:1-18, 33:12-23 en 1 Koningen 19:9 e.v.). Rond zijn veertigste overkwam het de profeet Mohammed dat hij ineens in deze grot, 'de berg van licht', een stem vernam die riep ‘Iqra’: reciteer, lees voor! En Mohammed vroeg - net zoals de profeet Jesaja 'Wat zal ik roepen?’ – ‘Wat zal ik voordragen?’. En de engel van God antwoordde: 'Lees in de naam van jouw Heer die geschapen heeft. Die de mens geschapen heeft uit een bloedklomp. Lees. Jouw Heer is de meest edelmoedige. Hij heeft door de pen onderwezen, de mens onderwezen wat hij (tevoren) niet wist' (Koran 96:1-5). ‘Hem heeft onderricht een geweldige in kracht’, Koran 53:5, doet denken aan het woord van God dat de profeet Jeremia ontving: 'Gij waart te sterk voor mij en hebt mij in uw greep gekregen ' (Jeremia 20:7). Zo werd het woord van God Mohammed te mach¬tig zodat hij wel moest spre¬ken in naam van God.

Op deze avond ter gelegenheid van de geboortedag van de profeet kunnen we herinneren aan het woord van de Koran waarin de profeet Mohammed 'een barm¬hartigheid voor de werelden' (21:107) ge¬noemd wordt. De betekenis van Mohammed komt op kernachtige wijze tot uiting in het verhaal dat over zijn overlijden verteld wordt. Op de achtste juni van het jaar 632 na Christus sterft Mohammed. Zijn vriend en mede¬stander Omar kan niet ge¬loven dat Mohammed echt gestorven is. Hij tracht omstanders ervan te overtuigen dat Mohammed evenals Mozes (Musa) zich enige tijd heeft teruggetrokken en zal terugkeren. Moham¬meds andere grote mede¬stander Aboe Bakr, die op het moment van Mohammeds overlijden niet aanwezig was, hoort bij zijn terug¬keer wat er gebeurd is. Hij betreedt vervolgens het vertrek waar Mo¬ham¬med ligt opgebaard, gaat naar hem toe, onthult diens ge¬laat, kust hem en spreekt de woorden: 'Gij waart mij dier¬baarder dan mijn vader en moeder'. Dan gaat Aboe Bakr naar buiten en maant Omar en de menigte tot kalmte en spreekt dan de gedenk¬waardige woorden die ieder moslim kent: 'O mensen, indien iemand Mohammed aanbidt, weet: Mohammed is gestorven. Maar indien iemand God aanbidt, weet: God is levend en sterft nimmer'. In een wereld waarin velen het besef van God verloren hebben, drukken deze woorden kernachtig uit wat voor godsbesef Mohammed bezat en heeft ingeprent in miljoenen en miljoenen tot op de dag van vandaag, waardoor hij blijft spreken ook nadat hij gestorven is.

In verband met de vragen die spelen in onze samenleving, zowel in ons land als in de wereld, is het goed te luisteren naar wat de heilige geschriften, de Thora (Tawra, Tenach, het Oude Testament), het Evangelie (Indjil, het Nieuwe Testament) en de Koran, ons te vertellen hebben over bijvoorbeeld de vragen van geweld en vergelding. De titel van een boek over de moderne ontwikkelingen in de islamitische wereld, ‘De wrake Gods’, vat goed samen wat velen over het geloof denken. Zeker dat van Osama bin Laden of Mohammed B., die zich als de voltrekkers van die wrake Gods beschouwen, op Amerika of op Theo van Gogh. Roepen teksten in de Koran en de Bijbel op om een dergelijke vergelding aan ongelovigen te voltrekken? Op zichzelf kan ieder zich wel wat voorstellen bij wraakgevoelens. Als je kwaad wordt aangedaan, wat moet je dan doen? Je hoort tegenwoordig vaak dat je het je aangedane onrecht toch niet over je kant moet laten gaan. De morele orde zou daar onder lijden. Zo wordt ook de oorlog tegen terrorisme gerechtvaardigd. Spreken de Bijbel én de Koran dan niet over oog om oog en tand om tand? Die laatste uitdrukking klinkt ons natuurlijk nogal heftig in de oren, maar het was toentertijd wel als matiging van vergelding bedoeld. Het betekende dat als je één tand werd uitgeslagen, je vervolgens niet iemand al zijn tanden uit zijn mond moest slaan. Maar hoe dan ook, hoe begrijpelijk en verstaanbaar vergelding ook moge zijn, de joodse, christelijke en islamitische traditie raden toch duidelijk alle drie aan een andere weg te kiezen en te bewandelen: geen vergeldingsacties van onze kant.

‘“Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden”, spreekt de Here’ (Romeinen 12:19). Dat houdt niet in dat God het kwaad negeert en zo maar laat passeren. Hij zál vergelding eisen, maar zonder onze poging om zelf ons gelijk te hálen. Het principe dat wordt gehanteerd is: kwaad kán en zál nooit en te nimmer overwonnen worden door ander kwaad, maar enkel en alleen door een groter goed. De Bijbel gaat nog een stap verder: 'Als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. Dan stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd’ (Romeinen 12: 20). Dat is een beroep op de Bijbelse wijsheid uit het boek Spreuken (25:21,22), ‘chokma’ in het Hebreeuws, wat ‘hikma’ is in het Arabisch, en in populair Nederlands wordt aangeduid met het woord ‘goochem’. Als je wijs bent, doorbreek je zo die dodelijke en verderfelijke cirkel van wraak en weerwraak: ‘laat je niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede’ (Romeinen 12: 21). Daarmee verwijst Paulus in zijn brief aan de Romeinen naar wat Jezus zelf in de bergrede in het Evangelie heeft verkondigd: ‘Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: "Een oog voor een oog en een tand voor een tand." En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren.’ (Matteüs 5:39). Jezus heeft het niet alleen gezegd. Hij heeft het ook in zijn eigen leven wáár gemaakt. Alleen het toekeren van de andere wang kan die dodelijke cirkel doorbreken. Alleen door geweldloosheid wordt het kwaad een halt toegeroepen. Vaak is een dergelijk beroep op de bergrede en de mogelijke relevantie voor de politiek, afgedaan als naïef, geitenwollensokken denken, half¬zachte flowerpower verhalen. Maar het is geen halfzacht verhaal.

Ik haal stukken uit de Koran aan in een Nederlandse vertaling:
‘In de naam van God, de Barmhartige, de Erbarmer.
Wij hebben de Thora geopenbaard als een leidraad en een licht, opdat de profeten op grond daarvan een oordeel vellen. (...) Vreest dan de mensen niet, maar vreest Mij en versjacher Mijn openbaringstekenen niet. (...) Wij hebben u in de Thora voorgeschreven: leven om leven, oog om oog, neus om neus, oor om oor en tand om tand en, wat betreft de wonden, wedervergelding. Maar voor wie hiervan afziet en als aalmoes kwijtscheldt dan geldt dat voor hem als verzoening. (...) En Wij hebben Jezus, de zoon van Maria, in de voetstappen van de profeten van de kinderen Israëls laten volgen als bevestiger van wat er van de Thora vóór zijn tijd al was. Wij gaven hem het Evangelie waarin een leidraad en een licht is, en om te bevestigen wat er daarvoor was van de Thora, en als een leidraad en aansporing voor de godvrezenden. En laten de mensen van het Evangelie oordeel vellen volgens wat God daarin heeft geopenbaard. En Wij hebben het boek met de waarheid aan jou (Mohammed), geopenbaard ter bevestiging van wat er voordien van de Schrift al was en om erover te waken. Oordeel dan tussen hen volgens wat God heeft geopenbaard en volg hun persoonlijke neigingen niet in afwijking van wat van de waarheid tot jou is gekomen. Voor een ieder van jullie hebben Wij een norm en een weg bepaald. En als God het gewild had, zou Hij jullie tot één gemeenschap gemaakt hebben, maar Hij heeft ieder van jullie in wat jullie gegeven is op de proef willen stellen. Wedijvert dus in goede daden. Eens zullen jullie tot God allen tezamen terugkeren. (...)’ (5:44-48).

Wanneer de Koran eerst de Tawra (Thora, het Oude Testament) en dan de Indjil (het Evangelie, het Nieuwe Testament) heeft aangehaald, eindigt de Koran met een advies aan alle drie, de jood, de christen en de moslim: ‘dus wedijvert met elkaar in goede daden!’. Het is geen halfzacht, maar juist een zeer krachtig verhaal: de zachte overmacht van de liefde. En daarbij is het nog googcem ook! Toen eens aan een jood werd gevraagd of hij optimistisch of pessimistisch was, antwoordde hij: wij joden kunnen het ons niet veroorloven om pessimistisch te zijn. Dit is het optimisme van alle drie de boeken: Tenach, Evangelie én de Koran. Dat naïeve geloof berust enkel en alleen op het vertrouwen dat Gods barmhartigheid tenslotte alle mensen zal omvatten. God heeft zichzelf barmhartigheid voorgeschreven, zegt de Koran.

Joden, christenen en moslims staan in dezelfde traditie van de profeten. Zij zien zichzelf als afstammelingen van vader Abraham (Ibrahim), de vader van alle gelovigen. Zij oriënteren zich alle drie op het geestelijke Jeruzalem (al Quds). Jeruzalem was voor de moslims de eerste gebedsrichting (qiblah). Joden, christenen en moslims behoren, om het zo te zeggen, tot de ‘Jeruzalemstadgroep’. Als er dan in onze tijd enige leden van deze ‘Jeruzalemstadgroep’, de Isaacs A. of de Mohammeds B of de Christiaans C. - als u begrijpt wat ik bedoel - toch van mening blijven dat zij 'in Godsnaam' wraak kunnen en moeten uitoefenen, dan moeten zij weten dat als je de heilige boeken echt leest en verstaat, zij niet handelen in opdracht van de God van Abraham (Ibrahim) of Mozes (Musa), en niet uit naam van de God van Jezus Christus (Isa, zoon van Marjam) of de God van Mohammed. Dan spreken zij alleen maar uit naam van een eigen god die zij verzonnen hebben of zelf bij elkaar hebben gegoocheld (wat tegenwoordig via Google erg makkelijk kan).

Het samenvattende trefwoord is en blijft voor ons allen: geweldloosheid. In de eeuw die achter ons ligt, de eeuw van onze vader en moeder, werd die gedachte de inspiratiebron voor zulke 'naïevelingen' als Tolstoi (Rusland), Mahatma Gandhi (India), Mahmud Taha (Soedan) en Martin Luther King (Verenigde Staten). Zij durfden voor die weg te kiezen én die moedige wedijver in goede daden aan te gaan! Wil er ooit gerechtigheid en vrede in onze wereld komen, dan hebben wij zulke leiders nodig die deze wijsheid bezitten, zo goochem zijn. Maar dan moeten ze wel (M.L.) King-size zijn. Want zo alleen zullen wij eens allen tezamen tot God terugkeren.

-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.

BIJBEL EN KORAN
EEN VERHAAL VAN TWEE STEDEN


Charles Dickens, Een verhaal van twee steden
De bekende Engelse schrijver Charles Dickens heeft een boek over de Franse revolutie geschreven. Een verhaal van twee steden heet het en die twee steden steden zijn Londen en Parijs. Dickens probeert zijn tijd te verstaan en er in zijn werk uitleg aan en inzicht in te geven. Het boek opent met de woorden: 'Het was de beste van de tijden, het was de slechtste van de tijden, het was de eeuw van wijsheid, het was de eeuw van dwaasheid, het was het tijdperk van geloof, en het was de eeuw van ongeloof, het was het seizoen van Licht en het was het seizoen van Duisternis.' Een patroon van tegenstellingen die tot explosie kwam in de Franse revolutie. Hoe moet je op een dergelijke revolutie reageren? Dat monster kun je niet bestrijden, vindt hij, door nog meer mensen op te hangen of nog meer gevangenisstraffen uit te delen. Dat kun je alleen als je erkent wát die revolutie heeft veroorzaakt. En Dickens probeert de ernstige sociale grieven van zijn tijd te begrijpen. Hij oefent kritiek uit op de sociale wantoestanden die alleen maar erger worden door een heersende zelfzucht. Dickens begrijpt om het in de woorden van de grote dichter W.H. Auden te zeggen:
Degenen tegen wie kwaad is gedaan
Doen op hun beurt kwaad.
Auden veroordeelt in deze regels het vredesverdrag van Versailles welke aan het einde van de Grote Oorlog, zoals de Eerste Wereld Oorlog aanvankelijk genoemd werd, zulke verpletterde sancties aan de verslagen vijand oplegde, dat achteraf deze vrede wel als het begin van de Tweede Wereld-Oorlog is uitgelegd.
Wij leven in een tijd die naar ieders gevoel en ervaring een tijd van overgang, zo je wilt, een revolutie is. De wereld is niet dezelfde meer na de elfde september 2001 is vaak gezegd. De naam die wij vandaag ervoor gebruiken is niet meer revolutie maar terrorisme. Er wordt sedertdien een oorlog gevoerd tegen het terrorisme. Maar is dan ook de vraag niet belangrijk waar dat terrorisme vandaan komt? Moeten wij ons dan ook in het Westen niet afvragen welk kwaad 'wij' op onze beurt hebben begaan?
Zoals je Dickens Een verhaal van twee steden van Dickens als een sleutel zou kunnen gebruiken voor het verstaan van de Franse revolutie, zo wil nagaan in hoeverre Bijbel en Koran als een verhaal van twee steden ons iets zeggen over de conflictueuze wereldsituatie in en tussen onze hedendaagse ‘steden’? Of hebben onze moderne steden geen boodschap aan die Bijbel noch de Koran? Immers, zo denken velen: zijn godsdiensten en hun ‘heilige boeken’, en niet alleen de Koran, met hun heilige oorlog en djihad niet eerder de oorzaak van geweld en terreur dan de oplossing ervan?

Bijbel en Koran en een band
Bijbel en Koran in een adem te noemen wekt misschien verbazing. De moslims erkennen op grond van de Koran weliswaar de Tawra en Indjil als openbaringen van God en noemen joden en christenen dan ook ‘mensen van het Boek’. Hoewel in de eerste eeuwen binnen de kerk wel discussie is geweest of het Oude Testament wel als integraal onderdeel van de Bijbel en als het woord van God gezien kon worden (Marcion), de houding van de joden en de christenen ten opzichte van de Koran is echter meestal een andere geweest. Zij hebben meestal ontkend en ontkennen, dat Mohammed een profeet is en loochenen daarom ook dat de Koran het woord van God is. Voor een moslim is dat moeilijk te verstaan, omdat zij niet begrijpen waarom joden en christenen niet een vergelijkbare respect voor Mohammed kunnen opbrengen die zij zelf wel voor Mozes en Jezus hebben. Ik pleit wel voor een dergelijke erkenning en neem dat ook als uitgangspunt. Dat doe ik, zo je wilt, ook in de geest van de joodse geleerde Mozes Maimonides in Cordoba geboren en in 1204 in Cairo bestorven. Zijn beroemde Gids der verdoolden werd nota bene in het Arabisch(!) geschreven. Hij zegt: 'De moslims zijn in het geheel geen afgodendienaars en zij verkondigen op juiste wijze de volstrekte eenheid van God'. 'Het gaat het menselijk denken te boven om de plannen van de Schepper te peilen. Want onze wegen zijn niet Zijn wegen, noch onze gedachten Zijn gedachten (Jesaja 55:9). Alle zaken die betrekking hebben op Jezus van Nazareth en de Ismaëliet (Mohammed) die na hem kwam dienden duidelijk de weg van de koning Messias om de hele wereld voor te bereiden om God eensgezind te aanbidden, zoals geschreven staat: 'Maar dan zal Ik de volken andere, reine lippen geven, opdat zijn allen de naam des HEREN aanroepen; opdat zij Hem dienen zijn aan zij' (Zefanja, 3:9).
De profeet Mohammed begint zijn optreden als profeet in het jaar 610 in Mekka, later gevolgd door een periode van tien jaar in Medina tot aan zijn dood in 632. Hij ziet zich als profeet staan in de lijn van de Bijbelse profeten. Belangrijke gestalten zijn vooral Abraham, Mozes en Jezus.
De Bijbel vertelt eigenlijk ook 'Een verhaal van twee steden': namelijk de steden Jeruzalem (in Israël /Palestina) en Babel (Mesopotamie, of het Twee - Stromen Land). De ene stad staat symbool voor de stad van gerechtigheid en vrede, de ander voor de stad van onrecht en onderdrukking. Het uiteindelijke toekomst perspectief is een nieuwe stad, een nieuw Jeruzalem (Openbaring 21, 22) . Het visoen is gericht op de stad met de fundamenten door God zelf ontworpen en gebouwd (Hebreeën 11:10).
De Koran kan evenzeer gekarakteriseerd worden als ‘Een verhaal van twee steden’, namelijk Mekka en Medina, beide in het centrum van het Arabische schiereiland gelegen. Mekka waar Mohammed rond 570 werd geboren geldt in de eerste periode van Mohammeds profetisch optreden als een stad van onrecht, onderdrukking en vervolging. Uiteindelijk werd hij verdreven en week hij met zijn volgelingen uit naar Medina (Koran 47:13). Maar Medina, dat trouwens ‘stad’ betekent, die de emigranten uit Mekka liefdevol opnamen (Koran 59:9), staat voor de stad van recht en zal de bijnaam Medina al-munawwara, 'de verlichte stad' of lichtstad krijgen, de nieuwe stad waar gerechtigheid moet worden gedaan.

Mens als kalief of koning
Het scheppingsverhaal in de Koran begint met een proloog in de hemel, zoals in het boek (vgl. Job, 1:6). God maakt in de vergadering met de engelen zijn voornemen bekend dat hij de mens zal scheppen. De engelen vinden dat een bijzonder slecht idee met als argument dat de mens verderf zal brengen op aarde en bloed zal vergieten. Het valt moeilijk te ontkennen dat de engelen een punt hebben. Zij beseffen wat er staat te gebeuren. Dat Gods project mens, zal leiden tot het vergieten van bloed op de aardbodem. Het is des te treffender dat God zich toch niet van de wijs, van Zijn wijsheid, laat afbrengen: 'Ik weet het best wat gij niet weet' geeft hij hen ten antwoord.' Je vraagt je dan af wat God wist dat de mens niet weet. Je kan je moeilijk voorstellen dat God niet wist wat de engelen weten. Wat het dan is wat God weet beantwoordt de tekst niet (Koran 2:30).
God heeft echter een specifiek oogmerk met de schepping van de mens. Zoals in het eerste Bijbelboek gezegd wordt, dat God de mens in de tuin, in de hof van Eden brengt om die te bewerken en erover te waken (Genesis 2:15), wil Hij hem niet als een verderf-brenger, maar als Zijn ‘plaatsbekleder’ op aarde aanstellen (Koran 2:30). Daarvoor wordt een woord gebruikt dat in het Nederlands met kalief vertaald wordt.
Zodra de schepping van de mens heeft plaatsgevonden, verschijnt Iblis op het toneel, dat is de Diabolos, de duivel of de satan. In het Bijbelverhaal verschijnt hij in de vorm van een slang (Genesis 3). Iblis komt om de mens op de proef te stellen: Hij biedt de mens een koningschap (mulk) dat niet vergaat? (Koran 20:120). Gods tegenstander stelt het 'koningsheerschappij' in het vooruitzicht: malik of koning te zijn (mèlèk- zijn in het Hebreeuws).
Zowel in de Bijbel als de Koran is ‘koning’ een geen onschuldig woord. Het gaat om meestal om een onrechtvaardig koningschap. Een koning is bij uitstek iemand die verderf brengt op aarde en die bloed vergiet. Vele koningen zijn vaak dienaren van de Moloch. Moloch is eigenlijk een verminking van het woord koning. Koningen gaan over lijken, en brengen met name kinderoffers. Hoewel het mensenoffer door de Thora nadrukkelijk wordt verboden en verafschuwd(Deuteronomium 12:31), dat iets is wat God nooit heeft geboden of gewild (Jeremia 32:35), werden die offers gebracht door volken die voor Israël in Kanaän woonden (Psalm 106:37, 38), maar kwam het ook voor onder koningen van Juda! Koning Achaz van Juda offerde zijn eigen zoon aan de Moloch door hem als offer te verbranden (2 Koningen 16:3; 2 Kronieken 28:3). Een van de goede koningen van Juda, Josia, treedt tegen kinderoffers op (2 Koningen 23: 10). In het Nieuwe Testament wordt aan de generatie van de woestijntocht een verering van de Moloch toegeschreven: ‘Jullie hebben de tent van Moloch meegedragen’ (Handelingen 7:43).
Iblis wil door het koningschap in het vooruitzicht te stellen suggereren dat de mens God gelijk kan worden. God is immers koning? Aan Hem behoort het koningschap (Koran 67:1,2), in de hemel en op de aarde (Koran 2:107). Met andere woorden, de duivel suggereert dat de mens kan treden in de bevoegdheden die alleen God toebehoren. Dat is en blijft de eeuwige duivelse verzoeking waaraan ook Jezus, als een tweede Adam (!) immers, in de woestijn wordt onderworpen: 'Weer nam de duivel Hem mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij liet Hem alle koninkrijken der aarde zien met al hun pracht en zei: Dit alles zal ik U geven als u voor mij in aanbidding neervalt. Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan. Want er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. (Mattheus. 4:8-11; vgl. Deuteronomium 6:13).
Dat ‘koningschap’ dat satan de mens in het vooruitzicht stelt staat dus lijnrecht tegenover het vice- regentschap van God op aarde: het kalief- zijn dat Gód voor de mens in gedachten heeft, dat het doen van gerechtigheid inhoudt, het volgen van de rechte weg, de weg van de gerechtigheid.
Waar gaat het dus om? Volgens Bijbel en Koran staan Adam en Eva, de mens, zowel man als vrouw, in feite elcerlic van het begin van zijn of haar bestaan voor de keuze: wil je mens zijn zoals God heeft bedoeld, plaatsbekleder Gods, vice-regent om de aarde te bouwen en bewaren - of kies je voor een ‘koning’ te zijn met alles wat dat inhoudt aan onrecht? Wil je kalief zijn of koning? Ben je de partij van God (Hizb Allah/Hizbollah, Koran 5:56) of ben je van de partij van satan (Hizb Shaytan Koran 58:19). Dat is de keuze waar voor ieder persoonlijk wordt geplaatst, als ook de keuze waar iedere (politieke) leider op aarde voor geplaatst wordt.

De rode draad van de boodschap van de profeten
De grote profetische gestalten uit Bijbel en Koran vanaf Abraham, Mozes, Jezus tot en met Mohammed toe krijgen de opdracht te breken met de onrechtvaardige koningen oftewel de heersers van het onrecht in hun steden of landen.
Abraham uit de regio van het tweestromenland staat tegenover Nimrod, dé heerser van Babel en de stichter van Nineve (Genesis 10:10-12), die als de eerste machthebber en geweldenaar op aarde geldt (Genesis 10:8). Nimrod geldt als koning van de onderdrukkende imperia van Assur en Babel. De rijken van Assur en Babel onder leiding van een dergelijke heerser, geldt bij uitstek als gebied waar onrecht en imperialistische uitbuiting en onderdrukking heerst.
Abraham redetwist met Nimrod of God hem wel het koningschap gegeven heeft (Koran 2:258). Abraham breken met Nimrod en wegtrekken naar het land dat God hem zal wijzen (Genesis 12) en op weg gaan naar een land/aarde/stad waar gerechtigheid zal worden gedaan.
Mozes, in een andere regio, Egypte, staat tegenover de Farao. Farao zegt volgens de Koran van zichzelf: ‘Er is geen God dan ik!’ Mozes wordt opgeroepen te breken met het onrecht van de Farao, deze tirannieke, arrogante heerser (Koran 79:17;vgl. Koran 22:24, 34, die verderf op aarde brengt (Koran 28:5), waar immers de engelen al voor waarschuwden dat het zou gebeuren! Mozes moet met zijn volk wegtrekken (Exodus; Koran 7:141; 20:80) en op weg gaan naar het beloofde land, waar de verdrukten en vertrapten recht zal worden verschaft (Vgl. Koran 79:17; 22:24, 34, 28:5; 7:141; 20:80).
Het evangelie begint met het verslag hoe Jezus als kind bedreigd wordt door koning Herodes, die hem wil ombrengen. Daarom vlucht hij met zijn ouders naar Egypte. Daar blijven zij tot de dood van Herodes (Mattheus 2: 13-15). Daarna wordt Jezus door God geroepen voor zijn ‘Exodus’ uit Egypte als vervulling van het woord van de profeet: ‘Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen (Hosea 11:1).
In het evangelie (van Mattheus) worden twee koningen der joden genoemd en tegenover elkaar gesteld: Herodes en Jezus. De wijzen uit oosten komen vlak na Jezus’ geboorte naar koning Herodes toe om te vragen waar de koning der joden geboren is, vanwege de ster die zij gezien hebben. De hogepriesters en schriftgeleerden door Herodes bijeengeroepen vertellen desgevraagd dat de ‘Messias’ in Bethlehem zou worden geboren. Die informatie speelt Herodes in het geheim door aan de wijzen met het verzoek als zij het kind in Bethlehem vinden hem dat te berichten zodat ook hij deze Messiaanse koning eer kan bewijzen. (Mattheus 2: 1-9). Maar nadat de de wijzen het kind hebben gevonden en eer hebben bewezen, gaan zij door een droom gewaarschuwd niet naar koning Herodes terug. Zodra Herodes bemerkt dat hij door de wijzen ‘bespot’ is, geeft hij om zich van deze potentiële koning te ontdoen, de opdracht om de kinderen in Bethlehem van twee jaar en jonger om te brengen (Mattheus 2:16).
Als Jezus later ten tijde van een andere koning Herodes wordt gevangen genomen, gemarteld en gekruisigd, bevestigen de soldaten boven zijn hoofd een bordje met de aanklacht tegen hem die luidde: Dit is Jezus, de koning van de joden (Mattheus 27: 37), in het Hebreeuws, Latijn en Grieks (Johannes 19:19). Als Jezus daar hangt tussen twee andere gekruisigde misdadigers in, drijven de hoge priesters, de schriftgeleerden en oudsten de spot met hem en zeggen: ‘Anderen heeft hij gered, maar zichzelf redden kan hij niet. Hij is toch koning van Israël. Laat hij dan nu van het kruis afdalen en wij zullen in hem geloven! ‘Hij heeft vertrouwd op God, laat die hem nu redden als hij hem wil’ (Psalm 22:9; Mattheus 27: 41, 42).
In het evangelie draait het dus om de vraag wie de ware koning is. Herodes of Jezus: de koning die niet met zichzelf laat spotten en een kindermoordenaar wordt, of die andere koning die met zich laat spotten, die niet zichzelf redt, maar juist anderen.
Als Jezus eens met zijn intiemste leerlingen Petrus, Johannes en Jacobus naar een berg gaan om te bidden, verandert hij van uiterlijk en worden zijn kleren stralend wit. Ineens verschijnen er dan twee mannen die met hem in gesprek gaan: Mozes en de profeet Elia. Zij beiden spreken met Jezus over zijn levenseinde. Mozes die het volk uit het slavernij leidde, mocht vlak voor zijn dood het hele beloofde land zien, maar er niet binnentrekken. De vervulling van de ‘Exodus’ uit Egypte, die hij geleid had, mocht Mozes alleen vanaf de berg Nebo zien, maar zelf niet meemaken (Deuteronomium 34:1-5). Toen Elia op zijn beurt aan het einde van zijn leven in gesprek met zijn opvolger Elisa steeds verder trok, komt er opeens een wagen van vuur met paarden van vuur langs en wordt Elia ten hemel opgenomen (2 Koningen 2:11).
Mozes en Elia spraken nu bij deze verschijning met Jezus over zijn Exodus uit Jeruzalem (Lucas 9:30,31). Jezus moet in Jeruzalem die uittocht gaan volbrengen. De stad Jeruzalem is een stad van onrecht geworden. Die Exodus bereikt Jezus niet door zichzelf te redden, maar anderen, en hen verlossing en bevrijding te brengen. Zijn naam betekent niet voor niets: ‘God verlost en bevrijdt’: blinden worden ziende, kreupelen lopen, melaatsen worden rein, doven horen, doden staan op en aan armen en onderdrukten wordt de goede boodschap verkondigd (Lucas 7:22). Jezus bewerkt dit door zijn solidariteit met geboeiden, de zwakken en de gemarginaliseerde ( Lucas 4:18).
Mohammed in Mekka (610-622) moet optreden tegen de goddeloze, asociale en onrechtvaardige leiders van zijn stad. Hij op zijn beurt moet breken met het onrecht dat in zijn stad onder leiding van de onrechtvaardige machthebbers heerst. Hij moet wegtrekken, een Exodus voltrekken naar Medina, een stad een paar honderd kilometer ten noorden van zijn geboortestad. De uitdrukking die voor dat ‘breken met’ en het ‘wegtrekken uit’ dat in de Bijbel met ‘Uittocht’ of ‘Exodus’ wordt aangeduid, wordt in de Koran met het woord emigratie (hidjra) aangegeven. Mohammed moet zijn volgelingen voeren uit de stad van het onrecht om op weg te gaan naar een nieuwe stad, Medina (=stad) waar recht zal moeten worden gedaan.
Abraham, Mozes, Jezus en Mohammed moeten allen dus op weg gaan naar het land dat God hen zal wijzen, het beloofde land, de beloofde stad, het nieuwe Jeruzalem, de stad van licht. De stad van de toekomst, de plaats waar, 'het recht de vrede met een kus begroet' (Psalm 85).
Wat gebeurt er echter als het beloofde land en de beloofde stad bereikt wordt? Hoe verloopt het als de onderdrukte, de bevrijdende de Exodus hebben doorgemaakt, de hidjra is voltrokken? Hoe verging de kinderen Israël toen zij uit het land uit Mesopotamie (Assur en Babel), uit Egypte waren vertrokken? Wat gebeurde er echter toen het volk in het beloofde land zichzelf kon regeren? In de beloofde stad? Het nieuwe Jeruzalem? De stad van de profeet: Medina? Werd toen een maatschappij ingericht waar de verdrukte recht werd verschaft, de hongerige brood gegeven (Psalm 146: 7.)? Werd een alternatieve samenleving gevormd, zonder koningen, een beroepsleger en een militaire bovenlaag? Dat was wel de bedoeling. Maar gebeurde dat ook? Het schokkende van het verhaal is dat het al heel spoedig in 't beloofde land dezelfde kant opgaat als met de farao van Egypte. Tegen het advies van de profeten wordt gekozen voor een erfelijk koningschap met generaals, militaire experts, belastingen en dwangarbeid. Salomo doet wat in de 'koningswet' kennelijk met het oog op hem wordt veroordeeld: 'De koning mag er geen veel paarden op na houden en het volk niet terug laten gaan naar Egypte om nog meer paarden te krijgen, want de HEER uw God heeft gezegd: Die weg mag u nooit meer opgaan' (Deuteronomium 17:16). De grote 'vredevorst' Salomo wordt op zijn beurt zelf een farao! En dat leidt ertoe dat de mensen onmiddellijk na de dood van koning Salomo door de profeet opgeroepen worden tot een nieuwe bevrijding (nieuwe Exodus). Het rijk scheurt in tweeën omdat de mensen niet langer het farao- achtige juk accepteren (1 Kon 12: 16).
Het kan goed gaan met koningen. David is daar een voorbeeld van. Hij wordt treffend genoeg in de Koran dan ook kalief, niet koning genoemd! Koning zijn op de manier van kalief zoals God wil, kan wel voorkomen.
De eerste opvolgers van Mohammed na dienst dood worden kaliefen genoemd. De eerste vier heten in de traditie: 'Recht geleide kaliefen'. Maar dat blijft niet zo. Zeker ook daarna noemen zij zichzelf nog kaliefen; kaliefen in de zin van opvolgers van Mohammed vooral in zijn zeg maar politieke functies. In Bagdad gaan sommigen zichzelf zien als kalief van God, zelfs ‘de schaduw van God op aarde.’ Maar waren zij het ook? Spoedig leert men in de lijn van de profetische kritiek van de Koran - ben je kalief of koning - een scherp onderscheid maken tussen deze recht geleide kaliefen én het wereldlijke onrechtvaardige koningschap van die latere kaliefen. Het kalifaat gaat namelijk alle trekken van faraonische onrecht en onderdrukking vertonen. Zodra er een nieuw kalifaat ontstaat in Damascus (de Ommajaden 661-750), worden die kaliefen door de vrome moslims als onrechtvaardige 'koningen' gekarakteriseerd.

Steeds weer keren de profeten - dat geldt van alle profeten tot en met Mohammed toe! - zich in hun kritische boodschap de eerste plaats tot het eigen volk, tot de eigen gemeenschap (umma). Zij staan alle drie - jood, christen of moslim- onder kritiek van de eigen profeten. Er kan dan ook vanuit de profetische kritiek bestaat geen sacrosancte joodse, christelijke of moslimse staat die boven deze kritiek verheven zou zijn. De profeten waarschuwen dat in het beloofde land, in de beloofde stad mis kan lopen en vaak loopt. De beloofde stad wordt vaak een stad van onrecht? Jeruzalem kan een Sodom en Gomorra worden (Jesaja 1:9)!
Daarom gaat voor alle drie het verhaal van het breken met de stad van het onrecht, het op weg gaan naar het beloofde land, de beloofde stad ook in het beloofde land verder. De Exodus is een verhaal dat verder gaat. De oproep tot hidjra loopt niet te einde totdat de zon opstijgt van de plaats waar hij ondergaat, zegt een traditie van de profeet (Bukhari.) Dat houdt in dat behalve het tot bekering roepen van de stad waarvoor de Ninevés, de Sodom en Gomorra's model staan, ook de oproep klinkt in de steden Jeruzalem, Mekka of Medina. Het spannende daarbij is dat Ninevé zich kan bekeren (Jona). Babel kan het Jeruzalem worden!
Het laatste Bijbelboek, Openbaring kan bij uitstek Een verhaal van twee steden genoemd kan worden: namelijk Jeruzalem en Babel. De een staat model voor de stad van gerechtigheid en vrede, terwijl Babel model staat voor de stad van het onrecht. Aan het einde van het boek ziet Johannes het visioen van een nieuw Jeruzalem dat uit de hemel zal nederdalen op aarde (Openbaring 21:2). Johannes ziet dan een rivier met water dat leven geeft. In het midden van het plein van de stad en aan weerszijden van de rivier stond een levensboom, die twaalf vruchten gaf, elke maand zijn eigen vrucht. De bladeren van de boom brachten de volken genezing (Openbaring 22: 1,2). Het ‘aardse’ Jeruzalem is geen stad die aan weerszijden van de rivier ligt. Welke stad wel? Babel! Zoals Jeruzalem ‘Babel’ kan worden, kan Babel ‘(het nieuwe) Jeruzalem worden.

Het beloofde land, de beloofde stad
Wat is nu de boodschap van Abraham tot en met Mohammed met betrekking tot het beloofde land en stad? Aan wie wordt het land, aan wie wordt de aarde beloofd? Uitgangspunt is dat aan God de aarde behoort (Psalm 24; Koran 7:128). Het land wordt aan Abraham, Izaäk en Jakob en hun nazaten beloofd. Daartoe behoort ook Ismael, dus de Arabieren. Die nazaten worden ontelbaar genoemd als het stof der aarde en de sterren aan de hemel. (Exodus 6:8; 32:13).
Het gebied wordt aangeduid als van Dan tot Bersheba, zeg maar zo ongeveer het huidige Israël / Palestina, maar ook van de Nijl tot de Eufraat. Kennelijk betekent het Hebreeuwse woord Erets niet voor niets zowel land als aarde!
Het gaat in de boodschap der profeten volgens alle drie tradities om Exodus, 'bevrijding' en weg gaan naar het beloofde land, want God wil wél doen aan hen die onderdrukt werden in het land (Egypte) en hen in het beloofde land tot leidslieden maken. Zij zullen het land beërven ( Koran 28:5 ; Koran 7:141). Met ‘de onderdrukten’ worden speciaal de kinderen Israël bedoeld (Koran 28:4 en Koran, 7: 137). Ook de Koran zinspeelt op Palestina als het land dat zij zullen beërven ( Koran 7:137 (133)). De kinderen Israëls beërfden het land van ‘melk en honing (Koran 26: 57-59).
Zij die bevrijd zijn uit de onderdrukking moeten zich in het land houden aan de geestelijke en sociale verplichtingen (Koran 21: 73). Zo zal het een goed land zijn, maar de geboden moeten niet vergeten worden (Exodus 32:13). Wie namelijk wel onrecht pleegt in het land wordt door het land uitgespuwd (Leviticus 18:25). Wetten en voorschriften moeten worden onderhouden, anders zal men uitgespuwd worden (Leviticus. 20:22).
In de Psalmen van David. die ook in de Koran als een boek van Openbaring bekend staat (Koran 4:163; 17:55), wordt gezegd dat
‘Zij die hopen op de Ene, Hem verwachten, het land zullen beërven.’ (Psalm 37:9). ‘De ootmoedigen zullen het land zullen beërven’ (Psalm 37:11). ‘De rechtvaardigen beërven het land en wonen daarin voor immer’(Psalm 37:29; vgl.’ Jesaja 60:21). Daarom ‘Wacht op de Ene en bewaar zijn weg, dan zal Hij u verhogen om het land te beërven (Psalm 37: 34).
Jezus haalt in de bergrede deze Psalm aan en zegt: ‘De zachtmoedigen zullen de aarde beërven’ (Mattheus 5:5). Hij prijst de zachtmoedigen zalig. Zij zijn het die de aarde en het land zullen bezitten.
Het is bijzonder treffend dat juist dit vers een van de weinige verzen uit de Bijbel is die in de Koran letterlijk wordt aangehaald: ‘ En Wij hebben neergeschreven in de schriftuur [De psalmen] na de maning dat de aarde zal beërfd worden door Mijn dienaren , de deugdzamen.’ Koran 21: 105.
Aan deze woorden van de profeten zijn alle drie jood, christen en moslim onopgeefbaar verbonden!

Het verhaal van twee steden, namelijk breken met de stad van het onrecht (welke stad dan ook), en op weg gaan naar het beloofde land, de beloofde stad, gaat verder en behoudt zijn actualiteit. De vraag die de profeten ons suggereren te stellen is: wie zijn nú in de wereld van vandaag de farao's? Wie behoren tot 'de as van het kwaad'. En dan is het niet de bedoeling te suggereren dat alleen anderen tot 'de as van het kwaad' kunnen behoren? De vraag die de drie geloofstradities oproepen: hoe staat het precies met de eigen godsdienstige en/of politieke leiders?

Aan wie komt de wraak en de vergelding toe?
In het vijfde hoofdstuk van de Koran staat het verhaal van de eerste broedermoord. Naar aanleiding daarvan wordt voorgeschreven: hij die een mens doodt, niet in wraak voor een ander, noch om te voorkomen dat er verderf op aarde wordt aangericht, is alsof hij het hele menselijke geslacht doodt, terwijl hij die een mens redt is het alsof hij het hele menselijke geslacht redt (Koran 5:32).
In dat zelfde hoofdstuk komt een passage voor waarin de Koran de drie boeken: de Thora (Tenach of Oude Testament); het Evangelie (het Nieuwe Testament) en de Koran op elkaar betrekt in verband met de belangrijke vraag van geweld en vergelding van onrecht. De Thora (Tawra) is de Openbaring die de joden via Mozes hebben ontvangen, het Evangelie (de Indjil) heeft Jezus ontvangen en de Koran Mohammed. Joden, christenen en moslims zijn alle drie ‘mensen van het boek’, respectievelijk Thora, Evangelie en Koran.
Dan staat er:
Wij (d.w.z. God) hebben de Thora geopenbaard als een leidraad en een licht, opdat de profeten op grond daarvan een oordeel vellen. ...
Wij hebben hun in de Thora voorgeschreven: leven om leven, oog om oog, neus om neus, oor om oor en tand om tand. In alle gevallen is vergelding voorgeschreven. Máár voor wie hiervan afziet en als aalmoes kwijtscheldt dan geldt dat voor hem als verzoening.
En Wij hebben Jezus, de zoon van Maria in de voetstappen van de profeten van de kinderen Israëls laten volgen als degenen die bevestigt van wat er van de Thora vóór zijn tijd al was.
Wij gaven hem het Evangelie waarin een leidraad en een licht is een aansporing voor de godvrezenden. En laten de mensen van het Evangelie oordeel vellen volgens wat God daarin heeft geopenbaard. ...
En Wij hebben het boek met de waarheid aan jou (Mohammed), geopenbaard ter bevestiging van wat er voordien van de Schrift al was en om erover te waken. Oordeel dan tussen hen volgens wat God heeft geopenbaard en volg hun persoonlijke neigingen niet in afwijking van wat van de waarheid tot jou is gekomen.
Voor een ieder van jullie hebben Wij een norm en een weg bepaald.
En als God het gewild had, zou Hij jullie tot één gemeenschap gemaakt hebben, maar Hij heeft ieder van jullie in wat jullie aan openbaring gegeven is op de proef willen stellen. Wedijvert dus in goede daden. Eens zullen jullie tot God allen tezamen terugkeren (Koran 5:44-48).

In de Thora staat inderdaad een passage waarin dat er vergelding mag zijn ‘een oog voor een oog en een tand voor een tand (Exodus 21: 24). Wanneer iemand letsel toebrengt aan een ander, mag hem hetzelfde letsel worden toegebracht: een oog voor een oog een tand voor een tand (Leviticus 24:20). Toen der tijd waren die voorschriften weliswaar als matiging bedoeld. Als je één tand was uitgeslagen, moest je vervolgens niet iemand als zijn tanden uit zijn mond te slaan. ‘In de uitleg van de joodse leraren is deze Thora tekst uitgelegd dat de beledigde partij overeenkomstig de kwetsuur genoegdoening gegeven wordt. De wet van de vergelding wordt omgebogen naar vergoeding. Volgens de wijsheid van de Spreuken (20:22) moetje geen kwaad met kwaad vergelden. Want dan blijft het kwaad voortwoekeren. In plaats daarvan moet je als je vijand honger heeft, hem brood, en als hij dorst heeft, water te drinken geven, want zo stapel je gloeiende kolen op zijn hoofd. Deze uitdrukking wordt in verband gebracht met Assyrische straffen: pek op het hoofd en met een Egyptische gebruik van boetedoening waarbij men kolen op zijn hoofd droeg. Met andere woorden hier is goedheid de straf waardoor het kwade overwonnen wordt.
Jezus haalt in de Bergrede aan: ’Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Een oog voor een oog en een tand voor een tand.’ En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren’ (Mattheus 5: 38, 39. Paulus schrijft: ‘Zie erop toe dat niemand kwaad met kwaad vergeldt en streef altijd naar het goede, zowel voor elkaar als voor ieder ander (1 Thessalonicenzen 5:15). Paulus wijst in de geest van Jezus boodschap nadrukkelijk erop dat geen vergelding is toegestaan. "Mij komt de wraak toe, ik zal het vergelden, spreekt de Here" (Romeinen 12:19; Deuteronomium 32:35). Dat houdt niet in dat God het kwaad negeert. Hij zál vergelding eisen, maar zonder onze poging om zelf ons gelijk te hálen. Het principe dat wordt gehanteerd is: kwaad kán en zál nooit en te nimmer overwonnen worden door ander kwaad, maar enkel en alleen door een groter goed. Zelf gaat het nog een stap verder: 'Als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. Dan stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd (Romeinen 12 20). Dat is een beroep op de bovengenoemde bijbelse wijsheid (Spreuken 25:21,22), oftewel chokma in het Hebreeuws, hikma in het Arabisch), ons woord goochem. Als je wij bent, doorbreek je die dodelijke en verderfelijke cirkel van wraak en weerwraak: Laat je niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede. (Romeinen 12: 21) Daarmee verwijst Paulus naar wat Jezus niet alleen verkondigt, maar zelf gedaan heeft, wáár heeft gemaakt. Alleen het toekeren van de andere wang kan die dodelijke cirkel doorbreken. Alleen door geweldloosheid wordt het kwaad een halt toegeroepen.
Vaak is een dergelijk beroep op de bergrede en de mogelijke relevantie voor de politiek, afgedaan als naïef, geitenwollensokken denken, halfzachte flowerpower verhalen. Maar het is geen halfzacht verhaal. Wanneer de Koran eerst het Oude en Nieuwe Testament heeft aangehaald, eindigt die met een eigen advies aan alle drie, jood, christen én moslim: Dus wedijvert in goede daden. Het is juist een zeer krachtig verhaal: de zachte overmacht van de liefde. En daarbij is het nog goochem ook. Dus alle drie - jood, christen en moslim - worden op hun eigen ontvangen openbaring aangesproken om zich daarnaar te richten als hun ‘licht’ en ‘leidraad’. En als zij dan een competitie met elkaar willen gaan, laten zij het dan doen in een wedijver ‘in goede daden’. Zo zullen zij allen samen tot God worden teruggebracht.
Alle drie de jood, de christen en de moslim behoren om zo te zeggen tot Jeruzalem -stad - groep (om een variant te noemen op de zogenaamde Hofstadtgroep. Als er vandaag een Isaac A. zou zijn zoals er een Mohammed B' was, of een Christiaans C. , die toch van mening is dat die 'in Godsnaam' wraak wil uitoefenen, dan is dat in ieder geval niet in opdracht van de God van Abraham, de Abba van Jezus of de God van Mohammed. Het samenvattende trefwoord is en blijft voor alle drie geweldloosheid. In de eeuw van onze vader en moeder werd die gedachte de inspiratie bron voor zulke 'naïevelingen' als Tolstoi, Mahatma Gandhi en Maarten Luther King. Zij durfden wel die weg te kiezen én die moedige wedijver in goede daden aan te gaan. Wil er ooit gerechtigheid en vrede in onze wereld komen dan hebben wij leiders nodig die deze wijsheid bezitten, zo goochem zijn. Maar dan moeten ze wel (M.L.) King-size zijn.


LITERATUUR LIJST

H. Auden, Selected Poems, 2nd ed. (New York) Vintage, 1979
Barakat Ahmad . al-Ashraf.
Charles Dickens, A Tale of Two Cities (Penguin) London, New York, Introduction 20,21. Idem, In Londen en Parijs ( Het Spectrum) Utrecht, Antwerpen 1952
B.Wielenga, It’s a Long Road to Freedom. Madras 1981


------------------------------------------------------------------------------------------------